Vlokkig veenmosklokje

Klik op de afbeelding voor vergrote weergave met beschrijvende tekst

Vlokkig veenmosklokje (Galerina paludosa)

De veenmosklokjes zijn als groep te herkennen aan de biotoop - moerassig gebied met veenmmos. Er komen in Nederland 5 soorten voor. Van deze 5 is het Vlokkig veenmosklokje de meest algemene en ook de enige die zonder microscoop op naam te brengen is.

Kenmerkend zijn de witte velumrestjes op de steel. Jonge exemplaren hebben ook witte velumvezeltjes op de hoed en deze ziet er dan grijsbruin uit in plaats van geelbruin zoals bij oudere exemplaren.
De geur en smaak en zwak melig, maar met name de geur is lastig te bepalen bij dergelijke kleine paddestoeltjes.

De sporen zijn (7.5)9-12.5x5.7 (-_8) mu groot, breed amandelvormig, vaak toegespitst bij de top, er is een kleine callus (verdikking), gemarmerd tot zwak wrattig, met duidelijk ′strandje′, geelbruin.
Cheilocystiden 20-35(-53)x5-12.5x5-8 mu, flesvormig tot flesvormig-gekopt.
Het Vlokkig veenmosklokje groeit alleen of in kleine groepjes, op veenmos (Sphagnum) in mmoerassig gebied.
Kenmerken van het geslacht Mosklokje  (Galerina) waartoe Vlokkig veenmosklokje behoort.

Mosklokjes hebben een mycena-achtig tot collybia-achtig vruchtlichaam, soms met velumresten. De hoedkleur ligt ergens tussen oker en roodbruin.
De lamellen zijn aangehecht. De lamelsnede is wit gewimperd - te zien met loepje.
De steel is droog, vlokkig of kaal, soms met vliezige ring.
De sporen zijn bruinoranje of roestbruin. De sporen zijn aan de top vaak wat uitgerekt en in meer of mindere mate wrattig.
Cystiden zijn altijd aanwezig - de vorm is een belangrijk determinatiekenmerk. Groeit op mos, aarde of hout.

Sommige soorten zijn extreem giftig.

SPECIFICATIES - vlokkig_veenmosklokje
familieGordijnzwammen (Cortinariaceae)
info familieTot deze familie behoort een groot aantal geslachten. De naam is ontleend aan het grootste geslacht binnen de familie, nl. de Cortinaria (gordijnzwammen)
De sporen zijn bruin.
De leden van deze familie hebben een 'gordijn', een spinnenwebachtig weefsel tussen de hoedrand en de top van de steel dat de rijpende sporen beschermt. Dit gordijn, officieel het velum partiale genoemd, is niet hetzelfde als het velum universale, het weefsel dat de nog zeer jonge paddenstoelen omhult en bij het groeien van de paddenstoel scheurt en dan vaak als een beurs aan de voet of als vlokjes of schubjes op de hoed achterblijft.
Het velum partiale is bij jonge paddestoelen vaak nog mooi te zien. Naarmate de hoed groeit scheurt het gordijn. Er blijven restantjes achter op de steel. Deze kleuren vaak bruin tot oranjebruin door de sporen die er op vallen.

Gordijnzwammen groeien op de grond of parasiteren op wortels. Ze zijn er zowel klein als groot.

Geslachten die tot deze familie behoren
  • Cortinarius - gordijnzwammen
  • Gymnopilus - vlamhoeden
  • Hebeloma - vaalhoeden
  • Galerina - mosklokjes
  • Alnicola - zompzwammen
  • Tubaria - donsvoetjes
  • Crepidotus - oorzwammetjes
naam vlokkig_veenmosklokje (Galerina paludosa)
waar op veenmos (Sphagnum) in hoog- en laagveengebied
sporeekleur bruinig
hoed gewelfd tot klokvormig, later uitgespreid, tot 2⁄3 van het centrum gestreept, rand met velumrestjes, geelbruin, jong bedekt met velum daardoor grijsbruin
steel 30x120-1.4 mm, cilindrisch, honingkleurig tot geelbruin, met velumrestjes, jong soms met ring
plaatjes aangehecht of met klein aflopend tandje, geelbruin tot roestbruin,