Sniporchis


De Sniporchis dankt haar naam op de op een houtsnip lijkende bloem.
De Sniporchis is 15-63 cm hoog. De bladeren staan in een rozet, er zijn meerdere, stengelomvattende stengelbladeren. Het blad is lancetvormig, groen en ongevlekt.
De ijle aar draagt 3-12 bloemen. De bloemen bestaan uit 3 roze-violette kelkbladen met groene nerf, ze zijn breed ovaal tot eirond. De kroonbladen zijn veel kleiner en eveneens roze-violet, lancetvormig tot driehoekig en behaard. De lip is drielobbig, opgeblazen, eveneens kort behaard en kastanjebruin gekleurd. Er is een gele rand. De zijlobben zijn kort, ovaal of driehoekig en dicht behaard. De middelste lob is veel groter, ovaal tot omgekeerd eirond. Het speculum is x-vormig. De kleur ervan is bruin of paars met gele rand. Onderaan de lip zit een aanhangseltje. Het gynostemium (voortplantingsgedeelte) lijkt op de kop van een houtsnip. De kleur van de bloem en de tekening van het speculum zijn zeer variabel. Het speculum is soms duidelijk aanwezig, maar kan ook nauwelijks zichtbaar zijn of volledig verdwenen. Ook de kleur van de kelk- en kroonbladen is vrij variabel, van groen over wit tot violet. De lip kan variëren van bijna zwart tot groen of geel, of bruin met groene vlekken.
De Sniporchis komt voor in het Middellandse Zeegebied.

De Sniporchis lijkt veel op de Bijenorchis. Het verschil is goed te zien bij het aanhangseltje onderaan de lip. Bij de Sniporchis wijst het naar voren, bij de Bijenorchis is het naar achteren gebogen.

Klik op de afbeelding voor vergrote weergave met beschrijvende tekst

SPECIFICATIES - Sniporchis
familieOrchideeënfamilie (Orchidaceae)
info familieLeden van deze familie hebben bladen met een gave rand, ze zijn meestal lancetvormig, aan de voet vaak stengelomvattend.
De bloemen staan in aren, trossen of pluimen.
De bloemen zijn symmetrisch, ze hebben 6 kroonblaadjes en zijn vaak opvallend gekleurd.
Vijf van de zes kroonblaadjes zijn vaak naar elkaar toegebogen en vormen zo een soort helm, het zesde blaadje staat apart, is groter dan de overige blaadjes en wordt lip genoemd. Deze lip loopt vaak uit in een spoor.



Bij de inlandse orchideeën zijn de stijl, de stempel en 1 meeldraad zonder helmdraad, dus alleen een helmknopje, vergroeid tot een zuiltje. Het helmknopje bestaat uit twee hokjes en zit meestal voor de stempel.
In de hokjes zit het stuifmeel in de vorm van een klompje. Deze stuifmeelklompjes hebben een steeltje. Het einde van dit steeltje is weer vergroeid met een snaveltje (rostellum). Een deel van dit snaveltje is veranderd in gom of in een paar kleefschijfjes. De stuifmeelklompjes groeien hieraan vast. Soms liggen de schijfje bloot, bv. bij de Muggenorchis. Bij andere geslachten ligt ieder schijfje weer in een napje. Ook kunnen beide schijfjes in 1 napje liggen.

Onder de stempelplek ligt bij vele soorten de ingang tot de spoor waar de honing bewaard wordt. Bij sporenloze orchideeën ligt de honing op de onderlip.

Als nu een insect, op zoek naar de honing, tegen de kleefschijfjes aankomt, dan plakken deze inclusief de stuifmeelklompjes vast op de kop van het insect. Is er een beursje, dan klapt dit bij aanraking terug en komen de kleefschijfjes bloot te liggen en kunnen ze vastplakken op de kop van het insect. De steeltjes van de klompjes staan dan rechtovereind op de kop van het insect. Na een paar seconden, net genoeg voor het insect om een volgende bloem te vinden, buigen de steeltjes door en kunnen het stuifmeel overbrengen op de bloem waar het insect zich inmiddels bevindt.

Oorspronkelijk bloeiden orchideeën met de lip naar boven gericht. Dit bleek onhandig voor de insecten die op hun kop op de lip moesten landen om bij de honing te kunnen. De evolutie heeft dit gecorrigeerd door het onderstandige vruchtbeginsel een halve slag te draaien - de bloem, die in de knop nog naar boven is gericht - wordt nu bij het openen gedraaid.



De andere twee binnenste bloemdekblaadjes zijn meestal ongeveer gelijk van vorm met de drie van de buitenste krans. Soms vormen ze samen met de bovenste van de buitenkrans een soort helm boven de stempelzuil.
Orchideeën leven in symbiose met bodemschimmels die de wortels binnendringen. Het heeft dan ook geen zin om orchideeën uit te graven voor in de tuin: ze zullen het niet overleven.
geslacht Spiegelorchis (Ophrys)
info geslacht Het geslacht Ophrys bestaat uit een grote groep orchideeën die tot de Orchis-groep behoren. Kenmerkend voor deze orchideeën is de voortplanting via pseudocopulatie, d.w.z. dat zij hun stuifmeel verspreiden door hun bloemen op vrouwelijke insecten te laten lijken en zelfs de bijbehorende vrouwelijke feromonen af te scheiden. Hier komen uiteraard de bijpassende insectenheren begerig op af. Terwijl de heren pogen om tot ′de daad′ over te gaan, plakt het stuifmeel aan hen vast en zo brengen zij bij een volgende poging bij een volgende bloem ′met aantrekkelijke dame′ het stuifmeel van de ene op de andere bloem over.
De orchideeën uit deze groep bloeien in het voorjaar. In de zomer zijn er slechts de ondergrondse tubers. In de late zomer-herfst wordt een rozet bladeren ontwikkeld.
Bijna alle soorten zijn afhankelijk van bepaalde schimmels. Het lukt dan ook zelden om een dergelijke orchidee te verplanten.
Het blad is groen tot blauwachtig van kleur. Er groeien 2-12 bloemen aan de rechtopstaande stengel.
naam Sniporchis (Ophrys scolopax)
waar kalkrijke grond, matig voedselrijk tot voedselrijk, droog of licht vochtig, in volle zon of halfschaduw - kalkgraslanden, wegbermen, kreupelhout, rond struikgewas, bosranden
bloei april - juni
kleur kelkbladen roze-violet met groene streep, kroonbladen roze-violet
blad bladrozet van 3-7 lancetvormige, groene, ongevlekte bladeren, bloeistengel met 2-4 stengelomvattende bladeren
vrucht doosvrucht