Gewone vleugeltjesbloem (Polygala vulgaris)

Gewone vleugeltjesbloem


De Vleugeltjesbloem heeft vreemd gevormde bloemen. Ze staan in dichte trosjes aan het einde van de stengels. De kleur varieert van roodachtig, blauw tot wit. Twee van de vijf kelkblaadjes zijn groot en gekleurd en staan als vleugeltjes uit. Na de bloei vouwen deze blaadjes zich om de vrucht en worden groen. De drie kroonblaadjes zijn gedeeltelijk vergroeid met de helmdraden. De meeldraden liggen in twee groepen van vier. Het stuifmeel wordt opgevangen in een lepeltje dat vergroeid is met stamper, stijl en vruchtbeginsel.
De Nederlandse soorten Vleugelbloem hebben kleine bloemen. In rotstuinen komt men grootbloemige soorten tegen.
De Gewone vleugeltjesbloem is de meest algemene soort in ons land, deze vind je veel in de duinen. De stengels zijn veel minder talrijk en staan meer rechtop dan de stengels van de Liggende vleugeltjesbloem of de Kuifvleugeltjesbloem. Er is geen kuif: de schutblaadjes steken niet boven de bloemknoppen uit, ze zijn zelfs erg klein, bijna van dezelfde lengte als het bloemsteeltje. In de bloemvleugels zijn tussen de fijnere zijnerfjes vaak dwarsverbindingen (niet bij Kuifvleugeltjesbloem).

Om onderscheid te maken tussen de Liggende of Gewone of Kuifjesvleugelbloem is het ook belangrijk om naar de verdeling van de blaadjes langs de stengel te kijken. Bij de Liggende vleugeltjesbloem staan de onderste bladeren twee aan twee langs de stengel. Deze soort heeft weinig bloemen. Aan het eind van de bloei verschijnt er een bebladerd zijtakje dat de bloemtros opzij duwt.

Klik op de afbeelding voor vergrote weergave met beschrijvende tekst

SPECIFICATIES - Gewone_vleugeltjesbloem
familieVleugeltjesbloemfamilie (Polygalaceae)
info familie-
geslacht Vleugeltjesbloem (Polygala)
info geslacht Een opvallend gevormd bloempje. Van de vijf kelkbladen zijn er twee groot en gekleurd en steken als vleugeltjes uit. Hieraan dankt de plant haar naam. Na de bloei sluiten de vleugeltjes zich om de vrucht en verkleuren naar groen.
De drie kroonbladen en de meeldraden zijn buisvormig met bovenaan een spleet vergroeid. Het onderste kroonblad (de kiel) heeft aan de top franjeachtige aanhangsels.
Er zijn 2 groepjes van 4 meeldraden. Het stuifmeel wordt verzameld in een soort lepeltje dat samen met stempel, stijl en vruchtbeginsel één geheel vormt. Via de franje en het lepeltje met stuifmeel en de stempel baant de bij zich een weg naar de honing. Ook kan zelfbestuiving plaatsvinden: de stempel buigt zich dan naar het lepeltje toe.
In Nederland komen drie soorten voor: de Gewone vleugeltjesbloem, de Liggende vleugeltjes en de Kuifvleugeltjesbloem. Belangrijk kenmerk van de Liggende vleugeltjesbloem zijn de onderaan de stengel tegenover elkaar staande blaadjes. De andere soorten hebben verspreid staande blaadjes.
De Kuifvleugeltjesbloem heeft als kenmerk de boven de bloemknop uitstekende schutblaadjes. Deze blaadjes vallen af als de knoppen open gaan. Een ander verschil met de Gewone vleugeltjesbloem is de verbinding van de zijnerven in de vleugeltjes. Is er bijna geen dwarsverbinding tussen de zijnerven dan duidt dit op de Kuifjesvleugeltjesbloem, zijn de zijnerven wel met elkaar verbonden dan is er sprake van de Gewone Vleugeltjesbloem. En gemakkelijker te herkennen: de Kuifvleugeltjesbloem is tot nu toe alleen in Zuid-Limburg gesignaleerd. De Gewone vleugeltjesbloem komt veel in de duinen voor. Kruiden. Bladen verspreid of deels tegenoverstaand, enkelvoudig, zonder steunblaadjes. Bloemen tweezijdig symmetrisch, tweeslachtig. Kroonbladen 3, onderling en met de meeldraden tot een aan de bovenzijde gespleten buis vergroeid; onderste kroonblad (kiel) bij de top met franjeachtige aanhangsels. Meeldraden 8, een aan de bovenzijde gespleten buis vormend. Vruchtbeginsel bovenstandig, 2-hokkig. Doosvrucht met 1 zaad per hokje, zaden behaard en meestal met een aanhangsel.
naam Gewone_vleugeltjesbloem (Polygala vulgaris)
waar voedselarme grond, duinen
bloei april - mei
kleur blauw, roze, wit
blad smal lijnvormig
vrucht doosvrucht met vleugeltjes + mierenbroodje