Bonte luzerne

Bonte luzerne (Medicago_x_varia)

De Bonte luzerne bloeit met bloemen die eerst paarsachtig zijn en vervolgens verkleuren via groen naar geel. Het verleent de plant een vrolijk bont aanzien. De peulen zijn glad, recht of sikkelvormig, 1-1,5 cm, kaal of behaard en bruin-zwart.
Het blad is drietallig, de deelblaadjes zijn langwerpig met de grootste breedte boven het midden, top getand.

De plant groeit op zonnige plaatsen op vrij droge, matig voedselrijke, kalkhoudende grond in bermen en graslanden.
De Bonte luzerne is een zeldzame plant.
Kenmerken van het geslacht Rupsklaver  (Medicago) waartoe Bonte luzerne behoort.

De Rupsklaver behoort tot de Vlinderbloemfamilie. Het zijn niet-rankende planten. Blad samengesteld, bestaande uit 3 kleine blaadjes.
De bloemen niet opvallend groot. Als de bloemen blauw gekleurd zijn, staan ze langwerpige, kegelvormige trosjes. De vruchten kurkentrekkerachtig opgekruld. (Luzerne).
Zijn de bloemen geel, dan komen er kleine, ronde en generfde vruchtjes te voorschijn die spoedig dofzwart worden (hopklaver).

Klik op de afbeelding voor vergrote weergave met beschrijvende tekst

SPECIFICATIES - bonte_luzerne
familieVlinderbloemenfamilie (Leguminosae of Fabaceae)
info familieKruiden of houtige planten. De bladen staan verspreid, ze zijn meestal samengesteld en hebben steunblaadjes. De bloemen zijn 2-zijdig symmetrisch en staan vaak in trossen. De kelk is meestal 5-tandig.
De bloem bestaat uit 5 kroonblaadjes, waarvan de onderste 2 onderling aan één zijde grotendeels vergroeid zijn. Deze 2 samengegroeide kroonblaadjes omsluiten voor de bloei de meeldraden en de stamper. Men noemt ze de kiel. Het bovenste kroonblad wordt de vlag genoemd. De kroonblaadjes aan weerszijde van de vlag noemt men de zwaarden. De vlag bedekt de zwaarden deels.
Er zijn 10 meeldraden, alle vergroeid of 9 vergroeid en 1 vrij.
Het vruchtbeginsel is bovenstandig, er is 1 vruchtblad. De vrucht is een peul, die meestal met 2 kleppen opengaat.
naam bonte_luzerne (Medicago_x_varia)
waar in bermen en grasland op zonnige plaatsen op vrij droge, matig voedselrijke, kalkhoudende grond
bloei juni - september
kleur eerst vaag paarsblauw, dan groenig en tenslotte geel
blad drietallig, deelblaadjes langwerpig met de grootste breedte boven het midden, top getand
vrucht doosvrucht - peulen glad, recht of sikkelvormig, 1-1,5 cm, kaal of behaard en bruin-zwart