Zandpadvezelkop2

Zandpadvezelkop2 (Inocybe lacera var lacera)

In de zandduinen komen verschillende vezelkoppen voor. Ze lijken helaas allemaal nogal op elkaar. Warmbruine tot geelbruine, vezelige en soms wat schubbige hoedjes en de steel diep verborgen in het zand. Belangrijk bij determinatie is het uiterlijk van de steel. Is deze berijpt of niet? Verkleurt de steel vanaf de basis? Heeft de steel een knolvoet? Maar omdat de steel, zoals opgemerkt, vaak grotendeels onder het zand staat, zijn genoemde eigenschappen niet altijd even duidelijk aanwezig. Zo is de kleur van het onder het zand zittende gedeelte van de steel wit.

Om tot een juiste determinatie te komen is de microscoop dan ook onontbeerlijk. Het aanwezige zand bemoeilijkt ook hier de determinatie.

Kijk allereerst naar de volgende eigenschappen
  • hebben de cystiden dikke, al dan niet gekleurde wanden en kristallen op de kop? Of zijn het dunwandige, eventueel gesepteerde ballonnetjes?
  • zijn de sporen glad of hoekig, wrattig?
  • is de steel berijpt? Dat is natuurlijk een lastige, want al dat zand..... . Kijk of je caulocystiden kunt vinden over de gehele lengte van de steel of hooguit in het bovenste topje. Geheel met caulocystiden => berijpt, hooguit topje met caulocystiden => niet berijpt.

Kleine duinvezelkop of Zandpadvezelkop?

Kleine duinvezelkop (I. vulpinella)
Sleutel FN:

- subgen Inocybe
Sporen niet hoekig of wrattig
Gordijn afwezig, steel berijpt over de gehele lengte, vaak met knolvoet

sect Splendentes
Sporen amandel-eivormig
Vruchtlichaam niet zuiver wit en niet roodverkleurend
Hoed geel of sterk gekleurd
Steel opvallend donker verkleurend in onderste helft
Geen olijftinten in steel

Sporen 12-18x7-9 mu, ellipsvormig-eivormig.
Hoed 10-40 mm, gewelfd, geen duidelijke umbo, ruw viltig tot schubbig
Hoed jong bedekt met spinnenwebachtig, grijzig velipellis, donkerbruin, soms roodbruin
Lamellen aanvankelijk creme of gelig grijs
Steel 25-75x2-10 mm, knotsvormig of met knol aan de voet, geheel berijpt, vanaf de basis donkerbruin verkleurend
Geen geur

Cystiden 45-80x14-26 mu, flesvormig-spindelvormig, wanden tot 5 mu dik

Bij loofbomen op zandige, kalkrijke bodem, vooral populier en wilg, ook in zandduinen

Zandpadvezelkop (I. lacera var lacera)

- subgen Inocybe
Sporen niet hoekig of wrattig
Gordijn aanwezig, steel niet berijpt in onderste helft, zelden met knolvoet
Geur niet opvallend, vlees niet rood verkleurend
Steel hooguit in klein gedeelte van top berijpt

sect Fibrillosae
Sporen cylindrisch =
Inocybe lacera
Hoed niet hygrofaan
Hoed 10-40 mm, aanvankelijk stomp conisch met naar binnen gekrulde rand, later gewelfd tot vlak, ruw vezelig, vaak gebarsten, donkerbruin, later of bij droogte bleker met okergele tint
Lamellen bleek, later okerbruin
Steel 25-80x1-6 mm, recht, vezelig, grijsbruin, aan de voet donkerder

Sporen 10-15x4-6 mu, cilindrisch,
Pleurocystiden 35-75x12-22, flesvormig, soms met scherpe apex, wanden tot 2 mu dik, kleurloos

Op zandige en voedselarme grond, langs bospaden e.d, bij naald- en loofbomen, vooral berk en wilg.

NB Sporen en cystiden zeer variabel.

De Zandpadvezelkop (Inocybe lacera) kent vier varianten:
- var rhacodes - lamelsnede met opstaande, verbonden, bruin-geïncrusteerde elementen, eindelement lijkt op cheilocystide
Overige 3 zonder dit soort elementen

- var regularis - sporen opvallend breed, bijna rechthoekig

- var lacera - sporen 11.0-14.2 x 4.5-5.6 mu, Q breedte = 2.1-2.9. Pleurocystiden iets dikwandig, wand kleurloos, op droge plekken

- var helobia - sporen 11.4-13.8 x 5.8-6.6 mu, Q breedte = 1.9-2.3. Pleurocystiden dikwandiger, wand bleek tot helder geel, op moerassige plaatsen.

I. lacera var helobia
  • Sporen (10.0)10.5-15.0 x 5.5-7.0(-7.5) mu, gemiddeld 11.4-13.8x5.8-6.6 mu, Q=1.7-2.3(-2.5), glad tot iets hoekig, onregelmatig gevormd.
  • Pleurocystiden (41-)42-67(-72) x 15-26 mu, breed knotsvormig, cilindrisch knotsvormig tot breed spoelvormig, naar de top afgerond tot gepunt, soms met puntig lobje, dikwandig tot 2.5(-3.0) mu, bleek tot helder geel, met kristallen aan de top, talrijk.
  • Cheilocystiden gelijk aan de pleurocystiden.
  • Paracystiden peervormig tot knotsvormig, dunwandig en kleurloos, soms iets dikwandig en met bruine tint, talrijk.
  • Basidia 27-35x10-12 mu, 4-sporig, enkele 2-sporig.
  • Geen caulocystidia, aan de top enkele caulocystideachtige haren.

Op moerassige grond, onder els, berk, wilg en kruipwilg.

I. lacera var helobia is nogal variabel wat de vorm betreft. Meestal is de paddestoel vrij tenger, maar er komen ook robuustere vormen voor. Deze laatste soort groeit uitsluitend onder kruipwilg in de duinen.

Kenmerken van het geslacht Vezelkop  (Inocybe ) waartoe Zandpadvezelkop2 behoort.

Veel Inocybe-soorten zijn in meer of mindere mate giftig en bevatten muscarine. Sommige soorten bevatten psylocibine, een psychoactieve stof.

Het geslacht Inocybe wordt opgedeeld in een aantal ondergeslachten.
Het ondergeslacht Mallocybe heeft dunwandige cheilocystiden zonder kristallen. De cystiden zijn vaak gesepteerd, de eindcel is vaak gezwollen. Er zijn geen pleurocystiden. De sporen zijn glad, met afgeronde apex dwz. eivormig, boonvormig, ellipsvormig.
De lamellen zijn breed aangehecht tot iets aflopend. De steel is kort.
Het hoedoppervlak is glad, wollig, viltig, tot iets schubbig.
De geur is neutraal.
Tot dit ondergeslacht behoort o.a. de I. dulcamara-groep (viltkoppen).

Inosperma-cervicolores - cheilocystiden dunwandig, zonder kristal, cyanofiel (blauwkleurend met katoenblauw). Basidia slank en met geelbruine inhoud. Sporen glad met kleine apiculus, meestal ei- of boonvormig.
Steel niet opvallend kort. Hoedoppervlak wollig, viltig.

Inosperma - rimosa - cheilocystiden dunwandig, zonder kristallen, niet cyanofiel. Geen pleurocystiden. Basidia meestal zonder geelbruine inhoud, minder slank dan exemplaren uit de cervicolores-groep. Sporen glad, met kleine apiculus en afgeronde apex, eivormig, boonvormig. Geur deels spermatisch.
Hoedoppervlak radiaalvezelig, harig (aan de rand), met schubjes in het midden.

Inocybe - de groep kent gladsporige en knobbelsporige soorten.

Knobbelsporige vezelkoppen - de sporen zijn hoekig, stervormig of echt knobbelig. Basidia zonder bruin pigment. De cystiden zijn meestal dikwandig en hebben een amorfe top met of zonder kristallen. Er tussen staan vaak paracystiden, cellen zonder kristallen en amorfe kap. Er zijn meestal ook pleurocystiden.
De steel is niet opvallend kort. De geur deels spermatisch.
Zie ook www.inocybe.org voor een beschrijving van de soorten.
In Coolia 49/1 vind je een sleutel voor de knobbelsporige vezelkoppen.

Klik op de afbeelding voor vergrote weergave met beschrijvende tekst

SPECIFICATIES - zandpadvezelkop2
familieVezelkoppen (Inocybaceae )
info familieAnders dan de naam doet vermoeden hebben vezelkoppen niet per definitie een vezelig hoedje. Er zijn tal van varianten, zijdeachtig, glad en kleverig, vezelig en slijmerig-kleverig, vezelig en droog, wollig-viltig, opstaand-schubbig. Vaak lopen de vezelbundels naar de hoedrand toe uiteen, zodat het onderliggende vlees zichtbaar wordt. Vezelkoppen met deze eigenschap noemen we Spleetvezelkoppen.
De kleur van de hoed is meestal een bruintint (roodbruin, geelbruin, grijsbruin, donkerbruin), maar er komen ook witte, paarse, gele, groene en rood verkleurende vezelkoppen voor.
De steel is al dan niet bepoederd. Aan de voet zit soms een knol met duidelijke rand. Voor determinatie is het dus belangrijk om de gehele steel uit te graven en daarbij de steel zelf niet aan te raken, daar dan de eventuele bepoedering verdwijnt. Onder de microscoop kun je het al dan niet bepoederd zijn controleren door te kijken of er caulocystiden over de gehele steel zitten. Zo ja, dan bepoederd. Zo niet of alleen in het bovenste gedeelte dan niet bepoederd.
De lamellen zijn meestal smal aangehecht. Een uitzondering vormt de I. dulcamara-groep, deze heeft breed aangehechte lamellen.
Het uiterlijk van de lamelsnede is, afhankelijk van de grootte en dichtheid van de cheilocystiden, lichter van kleur, vlokkig of gewimperd. Bij bv. de I.dulcamara-groep zijn de cystiden klein en weinig compact geplaatst, de lamelsnede is nauwelijks lichter van kleur dan de lamel. Bij het ondergeslacht Inosperma (bv. de Geelbruine spleetvezelkop) staan de cystiden zeer dicht opeen, de lamelsnede ziet er grof-witvlokkig uit. Het ondergeslacht Inocybe heeft dikwandige, kristaldragende cystiden die verder uiteen staan, de lamelsnede ziet er gewimperd uit.
Ook geur speelt een rol bij de Vezelkoppen. Veelal is die spermatisch (dan wel naar piperidine), maar het kan ook vissig, zoetig, naar pelargonium, paardenpis, wantsen of bittere amandelen zijn.

Microscoop:
de sporen kunnen glad, hoekig, knobbelig of stervormig zijn. De grenzen tussen glad en hoekig-knobbelig zijn niet altijd even duidelijk. De sporen zien er onder de microscoop meestal bruin uit, maar er komen ook blekere soorten voor. De sporen van bv. de Kleine duinvezelkop zijn opvallend donker.
De pleurocystiden zijn vaak dikwandig en kristaldragend. De kleur en de dikte van de wanden is ook een kenmerk. De cheilocystiden zijn vaak dunwandig, maar dikwandige komen ook voor. Vorm, lengte en dikte zijn belangrijk voor determinatie. Tussen de cheilocystiden staan vaak paracystiden, dunwandige cellen.
Bij de ondergeslachten Mallocybe en Inosperma komen alleen dunwandige cystiden langs de lamelsnede voor.
naam zandpadvezelkop2 (Inocybe lacera var lacera)
waar zanderige, voedselarme bodem, vaak langs bospaden ed. zowel in naald- als in loofbossen, bij Berk en Wilg
sporeekleur bruin
hoed 10-40 mm, stomp conisch met omgerolde rand, later gewelfd tot vlak, ruw vezelig, vaak gebarsten, jong donkerbruin later bleker met okergele tint
steel 25-80x1-6 mm, recht, vezelig, grijsbruin, donkerder naar de voet toe
plaatjes lamellen eerst bleek, later okerbruin