Zandpadvezelkop

Zandpadvezelkop (Inocybe lacera var helobia)

Inocybe lacera kent vier varianten:
- var rhacodes - lamelsnede met opstaande, verbonden, bruin-geïncrusteerde elementen, eindelement lijkt op cheilocystide
Overige 3 zonder dit soort elementen
- var regularis - sporen opvallend breed, bijna rechthoekig
- var lacera - sporen 11.0-14.2 x 4.5-5.6 mu, Q breedte = 2.1-2.9. Pleurocystiden iets dikwandig, wand kleurloos, op droge plekken
- var helobia - sporen 11.4-13.8 x 5.8-6.6 mu, Q breedte = 1.9-2.3. Pleurocystiden dikwandiger, wand bleek tot helder geel, op moerassige plaatsen.
I. lacera var helobia - sporen (10.0)10.5-15.0 x 5.5-7.0(-7.5) mu, gemiddeld 11.4-13.8x5.8-6.6 mu, Q=1.7-2.3(-2.5), glad tot iets hoekig, onregelmatig gevormd. Pleurocystiden (41-)42-67(-72) x 15-26 mu, breed knotsvormig, cilindrisch knotsvormig tot breed spoelvormig, naar de top afgerond tot gepunt, soms mucronate, dikwandig tot 2.5(-3.0) mu, bleek tot helder geel, met kristallen aan de top, talrijk. Cheilocystiden gelijk aan de pleurocystiden. Paracystiden pyriform tot knotsvormig, dunwandig en kleurloos, soms iets dikwandig en met bruine tint, talrijk. Basidia 27-35x10-12 mu, 4-sporig, enkele 2-sporig. Geen caulocystidia, aan de top enkele caulocystideachtige haren.
op moerassige grond, onder els, berk, wilg en kruipwilg.

I. lacera var helobia is nogal variabel wat de vorm betreft. Meestal is de paddestoel vrij tenger, maar er komen ook robuustere vormen voor. Deze laatste soort groeit uitsluitend onder kruipwilg in de duinen.
Kenmerken van het geslacht Vezelkop  (Inocybe ) waartoe Zandpadvezelkop behoort.

Veel Inocybe-soorten zijn in meer of mindere mate giftig en bevatten muscarine. Sommige soorten bevatten psylocibine, een psychoactieve stof.

Het geslacht Inocybe wordt opgedeeld in een aantal ondergeslachten.
Het ondergeslacht Mallocybe heeft dunwandige cheilocystiden zonder kristallen. De cystiden zijn vaak gesepteerd, de eindcel is vaak gezwollen. Er zijn geen pleurocystiden. De sporen zijn glad, met afgeronde apex dwz. eivormig, boonvormig, ellipsvormig.
De lamellen zijn breed aangehecht tot iets aflopend. De steel is kort.
Het hoedoppervlak is glad, wollig, viltig, tot iets schubbig.
De geur is neutraal.
Tot dit ondergeslacht behoort o.a. de I. dulcamara-groep (viltkoppen).

Inosperma-cervicolores - cheilocystiden dunwandig, zonder kristal, cyanofiel (blauwkleurend met katoenblauw). Basidia slank en met geelbruine inhoud. Sporen glad met kleine apiculus, meestal ei- of boonvormig.
Steel niet opvallend kort. Hoedoppervlak wollig, viltig.

Inosperma - rimosa - cheilocystiden dunwandig, zonder kristallen, niet cyanofiel. Geen pleurocystiden. Basidia meestal zonder geelbruine inhoud, minder slank dan exemplaren uit de cervicolores-groep. Sporen glad, met kleine apiculus en afgeronde apex, eivormig, boonvormig. Geur deels spermatisch.
Hoedoppervlak radiaalvezelig, harig (aan de rand), met schubjes in het midden.

Inocybe - de groep kent gladsporige en knobbelsporige soorten.

Knobbelsporige vezelkoppen - de sporen zijn hoekig, stervormig of echt knobbelig. Basidia zonder bruin pigment. De cystiden zijn meestal dikwandig en hebben een amorfe top met of zonder kristallen. Er tussen staan vaak paracystiden, cellen zonder kristallen en amorfe kap. Er zijn meestal ook pleurocystiden.
De steel is niet opvallend kort. De geur deels spermatisch.
Zie ook www.inocybe.org voor een beschrijving van de soorten.
In Coolia 49/1 vind je een sleutel voor de knobbelsporige vezelkoppen.

Klik op de afbeelding voor vergrote weergave met beschrijvende tekst

SPECIFICATIES - zandpadvezelkop
familieVezelkoppen (Inocybaceae )
info familieAnders dan de naam doet vermoeden hebben vezelkoppen niet per definitie een vezelig hoedje. Er zijn tal van varianten, zijdeachtig, glad en kleverig, vezelig en slijmerig-kleverig, vezelig en droog, wollig-viltig, opstaand-schubbig. Vaak lopen de vezelbundels naar de hoedrand toe uiteen, zodat het onderliggende vlees zichtbaar wordt. Vezelkoppen met deze eigenschap noemen we Spleetvezelkoppen.
De kleur van de hoed is meestal een bruintint (roodbruin, geelbruin, grijsbruin, donkerbruin), maar er komen ook witte, paarse, gele, groene en rood verkleurende vezelkoppen voor.
De steel is al dan niet bepoederd. Aan de voet zit soms een knol met duidelijke rand. Voor determinatie is het dus belangrijk om de gehele steel uit te graven en daarbij de steel zelf niet aan te raken, daar dan de eventuele bepoedering verdwijnt. Onder de microscoop kun je het al dan niet bepoederd zijn controleren door te kijken of er caulocystiden over de gehele steel zitten. Zo ja, dan bepoederd. Zo niet of alleen in het bovenste gedeelte dan niet bepoederd.
De lamellen zijn meestal smal aangehecht. Een uitzondering vormt de I. dulcamara-groep, deze heeft breed aangehechte lamellen.
Het uiterlijk van de lamelsnede is, afhankelijk van de grootte en dichtheid van de cheilocystiden, lichter van kleur, vlokkig of gewimperd. Bij bv. de I.dulcamara-groep zijn de cystiden klein en weinig compact geplaatst, de lamelsnede is nauwelijks lichter van kleur dan de lamel. Bij het ondergeslacht Inosperma (bv. de Geelbruine spleetvezelkop) staan de cystiden zeer dicht opeen, de lamelsnede ziet er grof-witvlokkig uit. Het ondergeslacht Inocybe heeft dikwandige, kristaldragende cystiden die verder uiteen staan, de lamelsnede ziet er gewimperd uit.
Ook geur speelt een rol bij de Vezelkoppen. Veelal is die spermatisch (dan wel naar piperidine), maar het kan ook vissig, zoetig, naar pelargonium, paardenpis, wantsen of bittere amandelen zijn.

Microscoop:
de sporen kunnen glad, hoekig, knobbelig of stervormig zijn. De grenzen tussen glad en hoekig-knobbelig zijn niet altijd even duidelijk. De sporen zien er onder de microscoop meestal bruin uit, maar er komen ook blekere soorten voor. De sporen van bv. de Kleine duinvezelkop zijn opvallend donker.
De pleurocystiden zijn vaak dikwandig en kristaldragend. De kleur en de dikte van de wanden is ook een kenmerk. De cheilocystiden zijn vaak dunwandig, maar dikwandige komen ook voor. Vorm, lengte en dikte zijn belangrijk voor determinatie. Tussen de cheilocystiden staan vaak paracystiden, dunwandige cellen.
Bij de ondergeslachten Mallocybe en Inosperma komen alleen dunwandige cystiden langs de lamelsnede voor.
naam zandpadvezelkop (Inocybe lacera var helobia)
waar kruipwilgstruweel, vochtige zandgrond, robuuste vorm uitsluitend in de duinen
sporeekleur bruin
hoed 11-29 mm, meestal met duidelijke umbo, donkerbruin tot zwartbruin in het centrum, bruin tot okerbruin naar de rand toe, ruw vezelig tot wat schubbig, vezels niet uit elkaar lopend, hoedrand niet ingescheurd, geen velipellis
steel 20-56 x 1-4 mm, hooguit iets verdikt aan de voet, vaak slank, maar soms ook robuust, top wit tot bleek creme, halverwege oker tot beige, basis bruin tot bijna zwart, iets vezelig in lengterichting
plaatjes matig dicht opeen, 3-6 mm breed, gezwollen, breed tot smal aangehecht, geelbruin tot donkerbruin, lamelsnede glad tot gewimperd, van gelijke kleur of wit,