Wollige franjehoed

Wollige franjehoed (Psathyrella artemisiae)

Macroscopisch: Hoed 15-70 mm breed, klokvormig, uitspreidend, roodbruin tot bruin, gestreept, lichtbruin opdrogend, centrum dan donkerder. Velum sterk ontwikkeld, vooral aan de hoedrand, relatief lang blijvend. Lamellen smal, iets uitgebocht aangehecht, jong wittig tot lichtgrijs, later donkergrijs met zweempje rood, lameldsnede wit bewimperd. Steel 15-70 (-90) x 1,5-7 mm, wit, top berijpt, verderop geheel sterk vezelig, soms met ringzone. Sporen zwart met rode zweem. Microscopisch: Sporen 7-10 x 4,5-5,5 mu, diameter 8,1-9,4 x 4,5-5,3 mu, midden Q=1,70-2,00, ellipsoide, eivormig. Kiempore duidelijk, maar zeer klein. In water en ammonia bruin, in KOH donkerbruin, vaak met grote oliedruppel, niet doorschijnend. Basidia 16-25 (-32) x 6,8-10 mu, 4-sporig. Cheilocystiden 25-65 x 7,5-19 mu, meestal dunwandig, soms met verdikte, gelige wanden en bleekbruin tot rossig pigment. Vermengd met vrij talrijke spheropedunculate en clavate marginale cellen tot 35,5x23 mu. Pleurocystiden 35-80x8-20 mu, meestal met dikke, gele wanden (uiterste top overwegend dunwandig), zeer bleekbruin tot rossig gepigmenteerd, extreem talrijk. Gespen aanwezig. Habitat: op loofstrooisel, dood hout, vooral in beukenbossen.
Kenmerken van het geslacht Franjehoed  (Psathyrella) waartoe Wollige franjehoed behoort.

Vruchtlichaam breekbaar, hoed droog, meestal hygrofaan, geschubd of vlokkig dan wel kaal, niet gegroefd, niet vervloeiend. De lamellen zijn aangehecht, niet vervloeiend. De steel is kaal tot vlokkig, soms wortelend, meestal zonder ring. Sporee donkerbruin of bruinzwart

Klik op de afbeelding voor vergrote weergave met beschrijvende tekst

SPECIFICATIES - wollige_franjehoed
familieInktzwammen (Coprinaceae)
info familieHiertoe behoren:
- Coprinus, Inktzwammen
- Psathyrella, Franjehoeden
- Panaeolus, Vlekplaten
.
Tere, relatief kortlevende paddestoelen. De jonge exemplaren hebben meestal een klokvormige hoed, later kan deze zich meer spreiden.
naam wollige_franjehoed (Psathyrella artemisiae)
waar op dode takken en houtstukjes van loof- en naaldbomen, of op de grond, in bossen, soms in lanen en op heiden, op voedselarm, zuur zand
sporeekleur zwart met rode zweem
hoed 15-70 mm breed, klokvormig, uitspreidend, roodbruin tot bruin, gestreept, lichtbruin opdrogend, centrum dan donkerder
steel 15-70 (-90) x 1,5-7 mm, wit, top berijpt, verderop geheel sterk vezelig, soms met ringzone
plaatjes smal, iets uitgebocht aangehecht, jong wittig tot lichtgrijs, later donkergrijs met zweempje rood, lameldsnede wit bewimperd