Ruderale vaalhoed

Ruderale vaalhoed (Hebeloma vaccinum)

Een onzekere Ruderale vaalhoed. Je komt bij vaalhoedjes eigenlijk nooit op een punt dat je denkt ′Dit moet hem zijn, kan niet missen!′. Hooguit tot een ′Dit zou hem kunnen zijn, misschien?′ . Kenmerkend voor de te determineren vaalhoed zijn de grote, ruwe, dextrinoïde sporen en de aan de top verbrede cheilocystiden.

Kop cheilocystiden
8.59 mu breed
8.26 mu
7.68 mu
6.52 mu
6.63 mu

Geen ring rond de steel
Steel geheel berijpt
Geur radijsachtig
Steel niet wortelend, cheilocystiden knotsvormig, met kopje
Sporen reagerend op Melzers
Sporen > 5.5 mu breed
Cheilocystiden cilindrisch tot knotsvormig of met kopje
Cheilocytiden aan beide zijden verbreed

==> sectie Denudata

Niet bij dwergwilg
Hoed bruinachtig of met grijstinten, sporen bruingeel tot bruin onder de mic

==> H. pusillum heeft een dunne steel (1-3 mm breed) en nauwelijks geruwde sporen

Steel breder
Dunne ixocutis 25mu dik

==> H. vaccinum (H. alvarense, var alvarense)

Dikke ixocutis, sporen amandelvormig-citroenvormig, sporen > 6.5 mu

==> H. vaccinum sterk dextrinoïde

Hoed min of meer hygrofaan, gewelfd, later uitgespreid, kleverig tot droog, geelbruin tot donker baksteenrood in het centrum, naar de rand toe bleker en meer grijs.
Lamellen niet extreem dicht op of van elkaar.
Steel 20-60x2.5-7 mm, cylindrisch, berijpt, wit tot gelig, aan de voet soms verkleurend naar bruin.
Geur naar radijs.

Sporen 12-14x6.5-7.5 mu, amandelvormig-citroenvormig, ruw, sterk dextrinoïde, perispore soms loslatend.
Apex van cheilocystiden gemiddeld 6.5-7.5 mu breed.

Onder wilgensoorten in mmoerassen, duinen en bergen, van de zomer tot in de herfst.
Kenmerken van het geslacht Vaalhoeden  (Hebeloma) waartoe Ruderale vaalhoed behoort.

Met hun vaal gekleurde hoedjes - witachtig, vaal oranje- of rozeachtig bruin, umber, kaneel, sepia zijn dan de tinten waar je aan moet denken - zijn de Vaalhoeden niet bepaald de meest spectaculaire paddenstoelen. Het hoedoppervlak is hooguit een weinig hygrofaan, glad, kleverig tot droog.
De lamellen zijn met een tandje of gewoon aangehecht, ze hebben aanvankelijk dezelfde tinten als de hoed, bij rijpheid een typerende koffie-verkeerd-kleur. Bij sommige Vaalhoeden scheiden de lamellen druppeltjes uit. Die tranen laten dan bruine vlekken achter op de lamellen. Een kenmerk om in de gaten te houden bij determinatie.
De steel is vooral aan de top fijn tot grof vlokkig. Vanaf de basis verkleurt de steel vaak naar bruin. Sommige soorten hebben een universeel velum of een ′gordijn′ (partieel velum).
Vaalhoedjes hebben vaak een radijsachtige geur, maar de geur kan ook die van marsepein, cacao, zeep, thee of fruit zijn of gewoon onopvallend.
De sporee is vaalbruin. Niet te verwarren met het oranjebruin van de Gordijnzwammen of geelbruin van de Vezelkoppen.

Vaalhoeden zijn giftig.

Onder de microscoop
De sporen zijn amandelvormig, elliptisch of citroenvormig, glad tot wrattig en versierd met fijne, vertakte ribbels.
Sommige soorten hebben een in meer of mindere mate loslatende perispore (buitenlaagje). De sporen zijn dextrinoïde (kleuren rood) of zonder reactie in Melzer′s.
Er zijn cheilocystiden, zelden pleurocystiden. De hoedhuid is een ixocutis tot een ixotrichoderm. Gespen aanwezig.

Vaalhoedjes groeien op de grond en zijn vaak gebonden aan bepaalde bomen of struiken.

Determineren
  • Velumresten vormen een membraanachtige ring. Steel stevig wortelend. Geur van marsepein => sectie Myxocybe
  • Gordijn spinnenwebachtig aanwezig, maar vergankelijk. Steel aan de top vlokkig. Cheilocystiden cilindrisch, onderste helft verbreed. Perispore laat niet los. =>sectie Hebeloma
  • Geen gordijn - sterke, zoete geur => sectie Sacchariolentia
  • Steel wortelend, geen radijsgeur, lamellen zonder druppels => sectie Myxocybe
  • Steel niet wortelend, geur radijsachtig, cheilocystiden cilindrisch, knotsvormig, met hoofdje of flesvormig - sporen reageren nauwelijks in Melzer′s => sectie Denudata
  • Sporen sterk dextrinoïde en ongeveer 4.4-5.3 mu breed =>Theobromina
  • Sporen breder dan 4.4-5.3 mu - hoofdzakelijk flesvormige cheilocysten met cilindrische hals - steel ruw vlokkig in banden - steel niet verkleurend =>sectie Sinapizantia
    • steel fijn vlokkig, vooral in bovenste deel, verkleurend vanuit de steelbasis, flesvormige en knotsvormige cheilocystiden => sectie Velutipes
  • Cheilocystiden zowel aan de top als aan de basis verbreed => Denudata
  • Cheilocystiden cilindrisch tot min of meer knotsvormig => sectie Velutipes


Vaalhoedjes in het duinzand

Een habitat van duinzand en kruipwilg beperkt de keus uit de vele vaalhoedjes enorm. Toch blijft het puzzelen voor de leek.

Een paar kanshebbers uit de sectie Hebeloma (dus met gordijn):
Hebeloma dunense = H. collariatum (Geringde wilgenvaalhoed) (sporen 9.5-13x 5.5-7 mu, fijn rimpelig, niet of vaag dextrinoïde
Hebeloma psammophilum (Duinvaalhoed)(sporen 10-13.5x5.5-7.5 mu, iets rimpelig, geen reactie, geen loslatende perispore) Hebeloma mesophaeum (Tweekleurige vaalhoed) (sporen < 10.5 lang) Hebeloma nigellum (Kruipwilgvaalhoed zz)



Sleutel Funga Nordica
- Spinnenrag-achtig gordijn aanwezig, vaak vergankelijk
- Steel alleen aan de top vlokkig
- Cheilocystiden met min of meer cilindrisch uiteinde, vaak verbreed aan de basis
- Perispore niet loslatend.

Vergelijk overige secties (waaronder Denudata)
- Geen gordijn
- Steel geheel vlokkig
- Cheilocystiden anders van vorm
- Perispore al dan niet loslatend.

Behorend tot de sectie Denudata
br /> Hebeloma pusillum
Kleur hoed bruin of grijsachtig, sporen bruingeel tot bruin onder de mic
3. Steel?
- tot 1.3 mm breed

- Bij salix in moerasachtig gebied
- hoed gewelfd, kleverig tot slijmerig, kaneelkleurig tot baksteenrood in het centrum, rand bleker
- lamellen soms druppeltjes
- steel 15-40 mm lang, cilindrisch, vlokkig, witachtig
- radijsgeur

- sporen 10-5-13 x 5.5-6.5 mu, smal amandelvormig, licht geruwd, onopvallend dextrinoïd
- cheilocystiden knotsvormig tot gekopt, top 8-10 mu breed
- Zomer tot in de herfst


Bron: Funga Nordica

Klik op de afbeelding voor vergrote weergave met beschrijvende tekst

SPECIFICATIES - ruderale_vaalhoed
familieGordijnzwammen (Cortinariaceae)
info familieTot deze familie behoort een groot aantal geslachten. De naam is ontleend aan het grootste geslacht binnen de familie, nl. de Cortinaria (gordijnzwammen)
De sporen zijn bruin.
De leden van deze familie hebben een 'gordijn', een spinnenwebachtig weefsel tussen de hoedrand en de top van de steel dat de rijpende sporen beschermt. Dit gordijn, officieel het velum partiale genoemd, is niet hetzelfde als het velum universale, het weefsel dat de nog zeer jonge paddenstoelen omhult en bij het groeien van de paddenstoel scheurt en dan vaak als een beurs aan de voet of als vlokjes of schubjes op de hoed achterblijft.
Het velum partiale is bij jonge paddestoelen vaak nog mooi te zien. Naarmate de hoed groeit scheurt het gordijn. Er blijven restantjes achter op de steel. Deze kleuren vaak bruin tot oranjebruin door de sporen die er op vallen.

Gordijnzwammen groeien op de grond of parasiteren op wortels. Ze zijn er zowel klein als groot.

Geslachten die tot deze familie behoren
  • Cortinarius - gordijnzwammen
  • Gymnopilus - vlamhoeden
  • Hebeloma - vaalhoeden
  • Galerina - mosklokjes
  • Alnicola - zompzwammen
  • Tubaria - donsvoetjes
  • Crepidotus - oorzwammetjes
naam ruderale_vaalhoed (Hebeloma vaccinum)
waar onder Salix in moerassen, duinen en bergen
sporeekleur roodbruin
hoed 13-40 mm, gewelfd, kleverig tot bijna droog, min of meer hygrofaan, bleekgeel tot donker brick in het centrum, aan de rand lichter tot grijs
steel 20-60x2.5-7.0 mm, cylindrisch, berijpt, wittig tot gelig, aan de voet soms bruin verkleurend
plaatjes normaal verdeeld, geen druppeltjes