Oranjegeel kaalkopje

Oranjegeel kaalkopje (Leratiomyces laetissimus)

Het Oranjegele kaalkopje is vooral te herkennen aan de vrolijk gekleurde hoed en steel. De hoed is niet doorschijnend gestreept.
De lamellen zijn aanvankelijk bleek grijs, later purperbruin met een witte rafelige lamelsnede.

Flora Agaricina Neerlandica
Vooral te herkennen aan de geel-okerkleurige tot oranje, niet doorschijnend gestreepte hoed en steel. Hoed 10-30 mm, conisch, later spreidend tot gewelfd met ronde of puntige umbo, rand ingebogen later recht. Hygrofaan, niet doorschijnend gestreept. Vochtig helder geel met oranjebruin centrum, soms iets paarsig bij de rand. Verblekend naar strogeel bij drogen. Glad, jong en vochtig ietsje kleverig en dan met gelatineuze aftrekbare hoedhuid - later droog, glad of iets vezelig. Jong met vlokjes langs de rand.
Lamellen vrij dicht opeen, breed aangehecht en vaak met kort, aflopend tandje. Bleek grijs, later purperbruin met bijna witte, rafelige lamelsnede.
Steel 30-60(-130)x2-4 (5) mm, cilinderisch of gebogen, soms met duidelijk verbrede voet, geel, gelijk aan hoed of iets lichter, met vezelige velumrestjes in het bovenste deel, glad, onderste deel glanzend.
Vlees geel in hoed en steel, elders bleker. Geen geuyr. Smaak mild.
Sporenprint purper-grijs tot purper-zwart.

Sporen 10.0-14.0 x 7.0-9.0 x 6.0-8.0 mu, Q=1.2-1.8, Qav=1.4-1.6, langwerpig tot eivormig, in vooraanzicht soms iets hexagonaal.
Cheilocystiden 15-30x4.0-8.0(-10.0) mu, flesvormig met smal tot vrij breed onderste deel, hals 2.0-3.0 mu breed. Pleurocystiden afwezig.
Pileipellis ixocutis, 15-60 mu dik, bestaande uit kleurloze, smal cilindrische hyfen, 1.0-3.0 breed. Subpellis compact, bestaande uit tot 7.0 mu brede, fijn geïncrusteerde hyfen.
Caulocystiden aanwezig aan de top van de steel, identiek aan cheilocystiden.
Gespen overal overvloedig aanwezig.
Vooral in zandduinen, ook langs de zeereep bij helm.
Kenmerken van het geslacht Kaalkopjes (Psilocybe)  (Psilocybe) waartoe Oranjegeel kaalkopje behoort.

Kaalkopjes zijn vooral populair vanwege de hallucinerende stoffen die ze bevatten. Ze worden dan ook al eeuwenlang gebruikt bij tal van heilige rituelen. De kleine, bruine tot witte paddestoeltjes kleuren door de stoffen (o.a. psilocybine, psilocine) blauw bij kneuzing. Tot voor kort behoorden ook een aantal niet-hallucigene soorten tot dit geslacht, maar deze zijn inmiddels ondergebracht in een eigen geslacht, Deconica. Op mest zijn er in Nederland drie blauw verkleurende soorten te vinden, het Blauwvoetkaalkopje (P. fimetaria), het Slijmrandkaalkopje (P. liniformans) en het Harig kaalkopje (P. puberula). Ze lijken een voorkeur te hebben voor paardenmest. Het Blauwvoetkaalkopje heeft goed ontwikkeld velum. De Slijmrand heeft een gelatineus laagje op de lamelsnede, deze kun je er met een speld of pincet vanaf trekken. De laag is bezet met flesvormige cheilocystiden. Ook de geur verschilt (melig <-> sterk aromatisch). bron Mestkaalkopjes - Nature Today en Puntige kaalkopjes - Nature Today Sporeekleur is bruin, purperbruin, purperzwart.

Klik op de afbeelding voor vergrote weergave met beschrijvende tekst

SPECIFICATIES - oranjegeel_kaalkopje
familieStropharia′s (Strophariaceae)
info familieTot deze familie behoren o.a.:
- zwavelkoppen, kaalkopjes en stropharia′s (Psilocybe - Deconica)
- bundelzwammen (Pholiota)
naam oranjegeel_kaalkopje (Leratiomyces laetissimus)
waar vooral in zeeduinen, ook kaal zand met helm
sporeekleur zwartbruin
hoed helder geel-oranje, niet doorschijnend gestreept, 10-30 mm, met ronde of puntige umbo
steel Steel 30-60(-130)x2-4 (5) mm, cilinderisch of gebogen, soms met duidelijk verbrede voet, geel, gelijk aan hoed of iets lichter, met vezelige velumrestjes in het bovenste deel, glad, onderste deel glanzend.
plaatjes Lamellen vrij dicht opeen, breed aangehecht en vaak met kort, aflopend tandje. Bleek grijs, later purperbruin met bijna witte, rafelige lamelsnede.