Gewone oesterzwam (Pleurotus ostreatus)

Gewone oesterzwam


De Gewone oesterzwam is een echte winterpaddestoel, ze verschijnt pas na de eerste nachtvorst. Ze groeit vaak in bundels op dood hout van loofbomen. De hoeden zijn groot en waaiervormig (60-120 x 100-160 mm). De hoedrand is bij jonge exemplaren naar binnen gekruld, bij het ouder worden wordt de hoedrand golvend. De kleur varieert van donker bruingrijs tot bruin grijsgeel tot blauwachtig grijs.
De lamellen staan dicht opeen en lopen af op de korte steel. Ze zijn relatief dun en jong bleek okerkleurig tot crèmig grijzig, bij het ouder worden verkleuren de lamellen naar bleekgrijs. De lamelsnede heeft een identieke kleur.
De steel ontbreekt of is zeer kort en dan niet centraal geplaatst. De bovenkant heeft lengtestrepen. De steel is vaak wat fluwelig.
Het vlees is wit tot iets okerkleurig direct onder de hoedheid en bij de lamellen. De geur is zwak zwammerig. De oesterzwam is een populaire zwam in de keuken.

De sporee is wit, lichtgrijs, licht lila of licht olijfgroen grijs.
Sporenmaten: (7.0)8.0-12.5 x (2.0)3.0-4.5(-5.5) mu, Q=(2.0)2.3-3.4(-4.2), Qav=2.5-2.7, cilindrisch tot niervormig.
Basidia 30-40 x 4-6 mu, knotsvormig, 4-sporig, soms 2-sporig. Basidioles vaak gesnaveld.
Er zijn geen cystiden, maar wel cystide-achtige elementen van 20-30x3-7 mu groot.
De hoedhuid is een compacte cutis, tot 180 mu dik. De bovenste 40 mu bestaat uit dunwandige hyfen, vaak met korte uitsteeksels, met bleek geel pigment. Het vlees van de hoed bestaat uit 5-10 mu brede, dikwandige hyfen.

Verwisseling met andere oesterzwammen is mogelijk, maar de overige soorten zijn zeldzaam, dus de kans is niet zo groot.

Sleutel tot de verschillende soorten:
- Groeit op de wortels van kruisdistel => P. eryngii (Kruisdisteloesterzwam)
- Groeit op levende of dode stronken van loof- of naaldhout =>


- lamellen lopen ver af en gaan over in ribbels op de steel. Sporen langwerpig tot cilindrisch, 7.0-10.0 lang => P. cornucupiae (Trechteroesterzwam)
- lamellen korter aflopend, niet verbindend. Sporen cilindrisch, 8-15(-17) mu lang =>


- velum aanwezig, bedekt de lamellen bij jonge exemplaren => P. dryinus (Schubbige oesterzwam)
- geen velum, ook niet bij jonge exemplaren =>

- hoed donkergrijs of grijsbruin tot blauwgrijs. Ruikt niet naar anijs. Van herfst tot winter =>P. ostreatus (Gewone oesterzwam)
- hoed wit tot bleekgeel of bleek grijsbruin, ruikt naar anijs. Van zomer tot in de herfst => P. pulmonarius (Bleke oesterzwam)

Klik op de afbeelding voor vergrote weergave met beschrijvende tekst

SPECIFICATIES - Gewone_oesterzwam
familiePleurotaceae (Pleurotaceae)
info familieDeze familie omvat 15 geslachten, waaronder:
- Taaiplaten (Lentinus)
- Oesterzwammen (Pleurotus)
- Brandplekribbelzwammen (Faerberia carbonaria)
geslacht Oesterzwam (Pleurotus)
info geslacht Een groep van ongesteelde of zijdelings gesteelde, schelp- tot waaiervormige Plaatjeszwammen, die meestal op hout groeien. Sporeekleur is wit, bleek grijs-lila. In Nederland komen 6 soorten Oesterzwammen voor. De meeste daarvan zijn zeldzaam.
naam Gewone_oesterzwam (Pleurotus ostreatus)
waar saprofiet - op levende en dode stammen, stronken en takken van loofbomen (populier, beuk, wilg, berk), zelden van naaldbomen
sporeekleur wit - bleekgrijs - lila
hoed tong- of schelp tot waaiervormig, ongesteeld, 4-20 cm x 6-20 cm, mat, crème-beige of grijslila tot lichtbruin of staalblauw tot lilazwart
steel wittig, kort en zijedelings, viltige basis
plaatjes wit - crème, aflopend naar de steel