Gevlekte vezelkop

Gevlekte vezelkop (Inocybe maculata)

De Gevlekte vezelkop (Inocybe maculata) heeft een kastanjebruine tot bruine hoed, die jong puntig kegelvormig is en later komvormig met een duidelijke umbo. Het oppervlak is bedekt met vezels die vanuit het centrum zich spreidend naar de hoedrand lopen. Vaak zijn er verspreide wittige velumplakjes, maar bij het ouder worden of bij veel regen verdwijnen de plakjes.


Sleutel FN
Hoed vezelig, basidia Q < 4
Vruchtlichaam niet rood wordend
Cheilocystiden zonder druppels of pigment

Cheilocystiden cilindrisch tot slank knotsvormig, sporen merendeels niet boonvormig
- hoed bruin
=> I. perlata - sporen breed ellipsvormig, tot 13 mu lang
Overige met gele tinten ==> I. arencicola, I. obsoleta, I. rimosa e.a.

Cheilocystiden knotsvormig tot peervormig, sporen vaak boonvormig
Hoed overwegend bruin
==> I. maculata

Hoed hazelnootbruin, vaak met velumvlokjes. Deze verdwijnen echter bij het ouder worden of bij regen. Jong puntig conisch met ingekrulde rand, uiteindelijk laag komvormig met umbo, naar de rand fijn vezelspletig.
Lamellen opstijgend, bijna vrij, bleek grijsbeige, later bruiner, met wittige, nfijn vlokkige snede.
Steel 30-100 x 3-9 mm, aanvankelijk wit, later vooral in het midden bruin verkleurend.

Sporen 8-12 x 5-6.5 mu, min of meer boonvormig.
Cheilocystiden 30-60 x 10-24 mu, knotsvormig

Meestal in rijke loofbossen bij beuk of eik, zomer tot herfst
Kenmerken van het geslacht Vezelkoppen  (Inocybe ) waartoe Gevlekte vezelkop behoort.

Tot de nieuwe familie Inocybaceae (Vezelkoppen) behoren o.a. de geslachten Mallocybe, Inosperma, Pseudosperma, Inocybe.

Mallocybe
  • Cheilocystiden dunwandig, zonder kristallen en zonder amorfe kap, vaak gesepteerd, eindcel vaak dik
  • Cystiden ontstaan direct uit de hyfen van het lamellenvlees
  • Geen pleurocystiden
  • Basidia met meer of minder bruin pigment
  • Lamellen breed aangehecht of iets aflopend, jong geel, oker, olijf, geelbruin of olijfbruin
  • Steel relatief kort, vaak korter dan hoedbreedte
  • Hoedoppervlak glad, viltig, wollig, fijn schubbig, niet gebarsten, bruin verkleurend met KOH of ammonniak
  • Geur nooit spermatisch
  • Sporen glad, met afgeronde apex, ook eivormig, boonvormig of langwerpig ellipsvormig
Tot dit geslacht behoren I. arthrocystis (Bedrieglijke viltkop), I. dulcamara (Gewone viltkop), I. fuscomarginata (Bruinsnedeviltkop), I. heimii (Duinviltkop), I. leucoblema (Bleekhoedviltkop), I. squarrosa (Dwergviltkop) en I. terrigena (Schubbige viltkop).

Inosperma
  • Basidia hyalien of met meer of minder geelbruin pigment
  • Cheilocystiden dunwandig, zonder kristallen en amorfe kap, deels cyanofiel, deels met secundaire septen
  • Cystiden ontstaan uit cellen van het subhymenium
  • Geen pleurocystiden
  • Sporen glad, met kleine apiculus, vaak met afgeronde apex, meestal ei- of boonvormig
  • Steel vaak langer dan de hoedbreedte
  • Hoed viltig, ingegroeid vezelig, wollig, schubbig
  • Geur niet spermatisch
Tot dit geslacht behoren I. adaequatum, I. bongardii, I. calamistratum, I. cervicolor, I. cookei, I.erubescens, I.fulvum, I.maculatum, I.pisciodorum, I. quietiodor.

Pseudosperma
  • Basidia incidenteel met geelbruin pigment
  • Cheilocystiden dunwandig, zonder kristallen en amorfe kap, deels cyanofiel, deels met secundaire septen
  • Cystiden ontstaan uit cellen van het subhymenium
  • Geen pleurocystiden
  • Sporen glad, met kleine apiculus, vaak met afgeronde apex, meestal ei- of boonvormig of langwerpig ellipsvormig
  • Steel vaak langer dan de hoedbreedte
  • Hoed radiaal vezelig, grof vezelig, gebarsten, radiaal barstig of slechts aan de rand en in het midden schubbig
  • Geur deels spermatisch
Tot dit geslacht behoren o.a. I. arenicola (Duinspleetvezelkop), I. obsoletum (Bleke spleetvezelkop), I. perlatum (Grijsbruine spleetvezelkop), I. rimosum (Geelbruine spleetvezelkop), I. squamata (Populiervezelkop), I. umbrinella (Sombere spleetvezelkop).

Inocybe - de groep kent gladsporige en knobbelsporige soorten.

Knobbelsporige en gladsporige vezelkoppen
  • Sporen zijn hoekig, stervormig of echt knobbelig of glad.
  • Basidia zonder bruin pigment.
  • Cystiden zijn meestal dikwandig en hebben een amorfe top met of zonder kristallen. Er tussen staan vaak paracystiden, cellen zonder kristallen en amorfe kap.
  • Er zijn meestal ook pleurocystiden.
  • Steel is niet opvallend kort.
  • De geur deels spermatisch.
Tot de gladsporige behoren o.a. I. lacera (Zandpadvezelkop) en I. vulpinella (Kleine duinvezelkop), I. geophylla (Witte satijnvezelkop), I. serotina (Grote duinvezelkop), I. splendens (Aarddrager)
Tot de knobbelsporige behoort o.a. I. dunensis (Geelbruine duinvezelkop)

Zie www.inocybe.org voor een beschrijving van de soorten.
In Coolia 49/1 vind je een sleutel voor de knobbelsporige vezelkoppen.

Klik op de afbeelding voor vergrote weergave met beschrijvende tekst

SPECIFICATIES - gevlekte_vezelkop
familieVezelkoppen (Inocybaceae)
info familieDe Inocybaceae (Vezelkoppen) werden tot voor kort ingedeeld bij de Cortinariaceae (Gordijnzwammen). Inmiddels zijn ze bevorderd tot een eigen familie.
De familie wordt tegenwoordig opgedeeld in 7 clades.

Inocybe, Inosperma, Mallocybe, Pseudosperma, Tubariomyes, Auritella en Nothocybe. De laatste 3 komen niet in West-Europa voor.

Vezelkoppen herken je aan het min of meer vezelige, soms gebarsten of schubbige, droge hoedje, de bruine sporen en vaak ook aan de geur. De geur kan spermatisch, fruitig, zoet, aromatisch, geraniumachtig zijn, maar er komen ook reukloze soorten voor. Vaalhoedjes (Hebeloma) lijken wel op de vezelkoppen, maar ze hebben een gladde hoed, ruiken vaak radijsachtig en de sporenmassa is valer bruin van kleur. De eveneens wat gelijkende Gordijnzwammen (Cortinarius) onderscheiden zich vooral door de warmere kleur van de sporenmassa.
Vezelkoppen groeien op de grond.
Onderzoek naar de Inocybaceae is nog in volle gang, er lijkt nog veel onduidelijkheid te zijn over de soort.
naam gevlekte_vezelkop (Inocybe maculata)
waar rijke loofbossen bij beuk en eik
sporeekleur bruin
hoed Hoed hazelnootbruin, vaak met velumvlokjes. Deze verdwijnen echter bij het ouder worden of bij regen. Jong puntig conisch met ingekrulde rand, uiteindelijk laag komvormig met umbo, naar de rand fijn vezelspletig.
steel Steel 30-100 x 3-9 mm, aanvankelijk wit, later vooral in het midden bruin verkleurend.
plaatjes Lamellen opstijgend, bijna vrij, bleek grijsbeige, later bruiner, met wittige, nfijn vlokkige snede.