Duinspleetvezelkop

Duinspleetvezelkop (Inocybe arenicola)

Sleutel Funga Nordica
- Geen pleurocystiden en sporen met stompe top, eivormig tot boonvormig.
- Steel langer dan hoed diameter, cheilocystiden eenvoudig, cylindrisch, knotsvormig, dicht opeen waardoor de lamelsnede wit kleurt.
==> Subsection Inosperma

- Hoed vezelig tot gebarsten. Vlees niet rood verkleurend, basidia niet super slank.
- Cheilocystiden cilindrisch tot iets knotsvormig, sporen over het algemeen niet boonvormig.
- Hoed met gelige tinten.

In zand in de duinen (FN)
- hoed 25-70 mm, klokvormig met ingerolde rand, later gewelfd met brede umbo, aanvankelijk wit door dikke velumlaag, fijn vezelig, niet gebarsten, strogeel tot bleek oker. Lamellen aanvankelijk wit. Sporen 12-16.5 x 6-8.5 mu, cheilocystiden 40-80 x 10-20 mu, cilindrisch. Bij kruipwilg, ook bij naaldbomen.
==> I. arenicola (Duinspleetvezelkop).
- habitat naaldbos, droog, rijk zand, substraat zand, humusarm, organisme pinus (Verspreidingsatlas)
Volgens inocybe.org vrij grote inocybe, broos, hoed oppervlak glad en fijnvezelig, later vlokkig, vaak wit van velum, hoedkleur meestal oker, maar ook bruin, sporen langwerpig en tot 16 mu groot, cystiden merendeels opvallend lang tot meer dan 80 mu, standplaat duinen en binnenduinen.

Niet in de duinen (FN)
Hoed met opvallend wit velumhuidje ==> I. obsoleta - in parken en plantsoenen. Volgens Verspreidingsatlas niet langs de kust.
Kenmerken van het geslacht Vezelkop  (Inocybe ) waartoe Duinspleetvezelkop behoort.

Anders dan de naam doet vermoeden hebben vezelkoppen niet per definitie een vezelig hoedje. Er zijn tal van varianten, zijdeachtig, glad en kleverig, vezelig en slijmerig-kleverig, vezelig en droog, wollig-viltig, opstaand-schubbig. Vaak lopen de vezelbundels naar de hoedrand toe uiteen, zodat het onderliggende vlees zichtbaar wordt. Vezelkoppen met deze eigenschap noemen we Spleetvezelkoppen.
De kleur van de hoed is meestal een bruintint (roodbruin, geelbruin, grijsbruin, donkerbruin), maar er komen ook witte, paarse, gele, groene en rood verkleurende vezelkoppen voor.
De steel is al dan niet bepoederd. Aan de voet zit soms een knol met duidelijke rand. Voor determinatie is het dus belangrijk om de gehele steel uit te graven en daarbij de steel zelf niet aan te raken, daar dan de eventuele bepoedering verdwijnt. Onder de microscoop kun je het al dan niet bepoederd zijn controleren door te kijken of er caulocystiden over de gehele steel zitten. Zo ja, dan bepoederd. Zo niet of alleen in het bovenste gedeelte dan niet bepoederd.
De lamellen zijn meestal smal aangehecht. Een uitzondering vormt de I. dulcamara-groep, deze heeft breed aangehechte lamellen.
Het uiterlijk van de lamelsnede is, afhankelijk van de grootte en dichtheid van de cheilocystiden, lichter van kleur, vlokkig of gewimperd. Bij bv. de I.dulcamara-groep zijn de cystiden klein en weinig compact geplaatst, de lamelsnede is nauwelijks lichter van kleur dan de lamel. Bij het ondergeslacht Inosperma (bv. de Geelbruine spleetvezelkop) staan de cystiden zeer dicht opeen, de lamelsnede ziet er grof-witvlokkig uit. Het ondergeslacht Inocybe heeft dikwandige, kristaldragende cystiden die verder uiteen staan, de lamelsnede ziet er gewimperd uit.
Ook geur speelt een rol bij de Vezelkoppen. Veelal is die spermatisch (dan wel naar piperidine), maar het kan ook vissig, zoetig, naar pelargonium, paardenpis, wantsen of bittere amandelen zijn.

Microscoop:
de sporen kunnen glad, hoekig, knobbelig of stervormig zijn. De grenzen tussen glad en hoekig-knobbelig zijn niet altijd even duidelijk. De sporen zien er onder de microscoop meestal bruin uit, maar er komen ook blekere soorten voor. De sporen van bv. de Kleine duinvezelkop zijn opvallend donker.
De pleurocystiden zijn vaak dikwandig en kristaldragend. De kleur en de dikte van de wanden is ook een kenmerk. De cheilocystiden zijn vaak dunwandig, maar dikwandige komen ook voor. Vorm, lengte en dikte zijn belangrijk voor determinatie. Tussen de cheilocystiden staan vaak paracystiden, dunwandige cellen.
Bij de ondergeslachten Mallocybe en Inosperma komen alleen dunwandige cystiden langs de lamelsnede voor. Veel Inocybe-soorten zijn in meer of mindere mate giftig en bevatten muscarine. Sommige soorten bevatten psylocibine, een psychoactieve stof.

Het geslacht Inocybe wordt opgedeeld in een aantal ondergeslachten.
Het ondergeslacht Mallocybe heeft dunwandige cheilocystiden zonder kristallen. De cystiden zijn vaak gesepteerd, de eindcel is vaak gezwollen. Er zijn geen pleurocystiden. De sporen zijn glad, met afgeronde apex dwz. eivormig, boonvormig, ellipsvormig.
De lamellen zijn breed aangehecht tot iets aflopend. De steel is kort.
Het hoedoppervlak is glad, wollig, viltig, tot iets schubbig.
De geur is neutraal.
Tot dit ondergeslacht behoort o.a. de I. dulcamara-groep (viltkoppen).

Inosperma-cervicolores - cheilocystiden dunwandig, zonder kristal, cyanofiel (blauwkleurend met katoenblauw). Basidia slank en met geelbruine inhoud. Sporen glad met kleine apiculus, meestal ei- of boonvormig.
Steel niet opvallend kort. Hoedoppervlak wollig, viltig.

Inosperma - rimosa - cheilocystiden dunwandig, zonder kristallen, niet cyanofiel. Geen pleurocystiden. Basidia meestal zonder geelbruine inhoud, minder slank dan exemplaren uit de cervicolores-groep. Sporen glad, met kleine apiculus en afgeronde apex, eivormig, boonvormig. Geur deels spermatisch.
Hoedoppervlak radiaalvezelig, harig (aan de rand), met schubjes in het midden.

Inocybe - de groep kent gladsporige en knobbelsporige soorten.

Knobbelsporige vezelkoppen - de sporen zijn hoekig, stervormig of echt knobbelig. Basidia zonder bruin pigment. De cystiden zijn meestal dikwandig en hebben een amorfe top met of zonder kristallen. Er tussen staan vaak paracystiden, cellen zonder kristallen en amorfe kap. Er zijn meestal ook pleurocystiden.
De steel is niet opvallend kort. De geur deels spermatisch.
Zie ook www.inocybe.org voor een beschrijving van de soorten.
In Coolia 49/1 vind je een sleutel voor de knobbelsporige vezelkoppen.

Klik op de afbeelding voor vergrote weergave met beschrijvende tekst

SPECIFICATIES - duinspleetvezelkop
familieGordijnzwammen (Cortinariaceae)
info familieTot deze familie behoort een groot aantal geslachten. De naam is ontleend aan het grootste geslacht binnen de familie, nl. de Cortinaria (gordijnzwammen)
De sporen zijn bruin.
De leden van deze familie hebben een 'gordijn', een spinnenwebachtig weefsel tussen de hoedrand en de top van de steel dat de rijpende sporen beschermt. Dit gordijn, officieel het velum partiale genoemd, is niet hetzelfde als het velum universale, het weefsel dat de nog zeer jonge paddenstoelen omhult en bij het groeien van de paddenstoel scheurt en dan vaak als een beurs aan de voet of als vlokjes of schubjes op de hoed achterblijft.
Het velum partiale is bij jonge paddestoelen vaak nog mooi te zien. Naarmate de hoed groeit scheurt het gordijn. Er blijven restantjes achter op de steel. Deze kleuren vaak bruin tot oranjebruin door de sporen die er op vallen.

Gordijnzwammen groeien op de grond of parasiteren op wortels. Ze zijn er zowel klein als groot.

Geslachten die tot deze familie behoren
  • Cortinarius - gordijnzwammen
  • Gymnopilus - vlamhoeden
  • Hebeloma - vaalhoeden
  • Inocybe - vezelkoppen
  • Galerina - mosklokjes
  • Alnicola - zompzwammen
  • Tubaria - donsvoetjes
  • Crepidotus - oorzwammetjes
vaalhoed met gordijn witschubbige_gordijnzwam
naam duinspleetvezelkop (inocybe arenicola)
waar bij kruipwilg of ook bij Pinus, in zand in duinen en binnenduinen
sporeekleur bruin
hoed wit
steel wit berijpt
plaatjes vuilwit met witte, vlokkige rand