Duinspleetvezelkop

Duinspleetvezelkop (Inocybe arenicola)

De eerste belangrijke afslag in de Funga Nordica richting de Duinspleetvezelkop of Sombere spleetvezelkop of misschien nog wel een andere kandidaat is de keuze tussen een bruine hoed, zonder gele tinten of een min of meer gelige hoed, waarbij I. umbrinella (Sombere spleetvezelkop) voorkomt bij loofbomen in een zandige, waarschijnlijk het liefst kalkrijke omgeving. I. arenicola komt vooral voor bij kruipwilg en den en eventueel ook bij andere bomen.
Dit onderscheid klinkt eenvoudiger dan dat het in werkelijkheid is.
Beide soorten hebben cilindrische tot slank knotsvormige cheilocystiden en gladde, merendeels niet boonvormige sporen. Opvallend is ook de witte, vlokkige lamelsnede.

In de nieuwe veldgids Veldgids Zeereep staat een eenvoudig sleuteltje voor vezelkoppen die je kunt vinden bij kruipwilg in de grijze duinen.

En natuurlijk is er de prachtige site www.inocybe.org waar de heel veel vezelkoppen overzichtelijk beschreven staan.

Je zou zeggen informatie genoeg om de determinatie tot een succesvol einde te brengen.

I.umbrinellaI. arenicola
hoed 30-50 cm, vezelig-gebarsten, hazelnoot- of kaneelbruin hoed 25-70 cm, klokvormig met ingebogen rand, later laag gewelfd met brede umbo, wit van velipellis, fijn vezelig, niet gebarsten, strogeel tot bleek oker, bedekt met zandkorrels
lamellen bleek grijsbruin lamellen aanvankelijk wit
steel 50-70x5-8 mm, bleek steel 30-75x5-13 mm, stevig, vaak diep begraven in het zand
geur zwak of afwezig geur onopvallend
bij loofbomen op zandige grond, bij voorkeur kalkrijkbij kruipwilg, ook bij den


Vergelijking I. umbrinella en I. arenicola volgens www.inocybe.org
I.umbrinellaI. arenicola
hoed tot 5 cm, sterk radiair vezelig, bleek, licht- tot donkerbruin vezels op anderskleurige ondergrond, vaak met zilverachtige glans hoed tot 6 cm, broos, glad en fijnvezelig, later met barsten,vaak met wit velum bedekt, okerkleurig of bruin
sporen tot 18 mu, subcilindrisch, ook boonvormig tot 16 mu, langwerpig en groot
cheilocystiden knotsvormig, halfrond, ook ongelijk, tot 40 mu cystiden tot langer dan 80 mu
duinen duinen en binnenduinen


In zand in de duinen (FN)
- hoed 25-70 mm, klokvormig met ingerolde rand, later gewelfd met brede umbo, aanvankelijk wit door dikke velumlaag, fijn vezelig, niet gebarsten, strogeel tot bleek oker. Lamellen aanvankelijk wit. Sporen 12-16.5 x 6-8.5 mu, cheilocystiden 40-80 x 10-20 mu, cilindrisch. Bij kruipwilg, ook bij naaldbomen.
==> I. arenicola (Duinspleetvezelkop).

-Hoed bruin, zonder geeltinten
- bij loofbomen in parken etc., op rijke klei, uiterst zeldzaam, zwak spermatisch ==> I. perlata

- sporen 12-15x6.5-8 mu, hoed 30-50 mm, vezelig-gebarsten, hazelnoot- of kaneelbruin. Lamellen bleek grijsbruin, steel 50-70x, bleek. Geur zwak of afwezig. Cheilocystiden 40-70x10-15 mu. Bij loofbomen in zandige habitat, bij voorkeur kalkrijk. ==> I. umbrinella.
Kan verward worden met een donkere vorm van I. rimosa.
Als we even doorsleutelen naar I. rimosa om te zien hoe en wat
- hoed geel
- niet in duinen
- voet steel niet gezwollen
- ! Hoed met opvallend wit velumhuidje ==> I. obsoleta - in parken en plantsoenen. Volgens Verspreidingsatlas niet langs de kust.
- geen opvallend wit velipellis
- hoed zonder schubjes, wel duidelijk gebarsten ==> I. rimosa

Sleuteltje uit Veldgids Zeereep
Vezelkoppen bij kruipwilg (Salix repens) in de grijze duinen

- Geen pleurocystiden, cheilocystiden zonder kristallen, dunwandig en gladde sporen leiden naar de Duinspleetvezelkop (I. arenicola), Geelbruine spleetvezelkop (I.rimosa) en de Sombere spleetvezelkop (I.umbrinella). Opvallend zijn de lamelsnede met witvlokkige snede en de radiair vezelige tot gespleten hoed.
  • hoed strogeel met dikke witte velumlaag (velipellis), die lang zichtbaar blijft vooral in het centrum, geur onopvallend, steel glad, sporen 12-15x6.5-8 mu ==> Duinspleetvezelkop (I. arenicola)
  • hoed lichtbruin met donkerder radiaire vezels, zonder of met weinig ontwikkeld velipellis, geur vaak sterk, spermatisch of herinnerend aan Groene knolamaniet, steel wittig, bepoederd aan de top, daaronder glad, sporen 11-18 x 6-8 mu ==>Geelbruine spleetvezelkop (I. rimosa) of Sombere spleetvezelkop (I. umbrinella)
Is de lamelsnede niet afwijkend gekleurd en de hoed niet radiair gespleten, maar meer wollig of schubbig dan leidt de weg naar de Dulcamara-groep (de Viltkoppen). Binnen deze groep zijn de Bruinsnedeviltkop (I. fuscomarginata), Bedrieglijke viltkop (I. arthrocystis), Gewone viltkop (I. dulcamara), Duinviltkop (I. heimii)en de Geringde viltkop (I.agardhii) kandidaten.

- Met pleurocystiden, dikwandig en met kristallen en gladde of knobbelig-hoekige sporen is er de keuze uit de Geelbruine duinvezelkop (I. dunensis), Stinkvezelkop (I. grammata) (soms bij kruipwilg), Sombere aarddrager (I. splendens var phaeoleuca), Zandpadvezelkop (I. lacera), Kleine duinvezelkop (I. vulpinella), Grote duinvezelkop (I. serotina), Grootsporige vezelkop (I. similis) en de Slanke roodpootvezelkop (I. exilis).

Bovenstaand sleuteltje geldt dus alleen voor kruipwilg bij de grijze duinen. Bij kruipwilg op andere plekken, bv. langs schelpenpaden of bij mycorrhize-bomen (vooral dennen) zijn ook andere soorten mogelijk.
I. rimosa komt niet voor bij kruipwilg in de grijze duinen volgens vezelkoppenspecialist Ditte Bandini. Het is meer een soort van dennen. Hetzelfde geldt voor I. grammata (Stinkvezelkop).
Kenmerken van het geslacht Vezelkoppen  (Inocybe ) waartoe Duinspleetvezelkop behoort.

Tot de nieuwe familie Inocybaceae (Vezelkoppen) behoren o.a. de geslachten Mallocybe, Inosperma, Pseudosperma, Inocybe.

Mallocybe
  • Cheilocystiden dunwandig, zonder kristallen en zonder amorfe kap, vaak gesepteerd, eindcel vaak dik
  • Cystiden ontstaan direct uit de hyfen van het lamellenvlees
  • Geen pleurocystiden
  • Basidia met meer of minder bruin pigment
  • Lamellen breed aangehecht of iets aflopend, jong geel, oker, olijf, geelbruin of olijfbruin
  • Steel relatief kort, vaak korter dan hoedbreedte
  • Hoedoppervlak glad, viltig, wollig, fijn schubbig, niet gebarsten, bruin verkleurend met KOH of ammonniak
  • Geur nooit spermatisch
  • Sporen glad, met afgeronde apex, ook eivormig, boonvormig of langwerpig ellipsvormig
Tot dit geslacht behoren I. arthrocystis (Bedrieglijke viltkop), I. dulcamara (Gewone viltkop), I. fuscomarginata (Bruinsnedeviltkop), I. heimii (Duinviltkop), I. leucoblema (Bleekhoedviltkop), I. squarrosa (Dwergviltkop) en I. terrigena (Schubbige viltkop).

Inosperma
  • Basidia hyalien of met meer of minder geelbruin pigment
  • Cheilocystiden dunwandig, zonder kristallen en amorfe kap, deels cyanofiel, deels met secundaire septen
  • Cystiden ontstaan uit cellen van het subhymenium
  • Geen pleurocystiden
  • Sporen glad, met kleine apiculus, vaak met afgeronde apex, meestal ei- of boonvormig
  • Steel vaak langer dan de hoedbreedte
  • Hoed viltig, ingegroeid vezelig, wollig, schubbig
  • Geur niet spermatisch
Tot dit geslacht behoren I. adaequatum, I. bongardii, I. calamistratum, I. cervicolor, I. cookei, I.erubescens, I.fulvum, I.maculatum, I.pisciodorum, I. quietiodor.

Pseudosperma
  • Basidia incidenteel met geelbruin pigment
  • Cheilocystiden dunwandig, zonder kristallen en amorfe kap, deels cyanofiel, deels met secundaire septen
  • Cystiden ontstaan uit cellen van het subhymenium
  • Geen pleurocystiden
  • Sporen glad, met kleine apiculus, vaak met afgeronde apex, meestal ei- of boonvormig of langwerpig ellipsvormig
  • Steel vaak langer dan de hoedbreedte
  • Hoed radiaal vezelig, grof vezelig, gebarsten, radiaal barstig of slechts aan de rand en in het midden schubbig
  • Geur deels spermatisch
Tot dit geslacht behoren o.a. I. arenicola (Duinspleetvezelkop), I. obsoletum (Bleke spleetvezelkop), I. perlatum (Grijsbruine spleetvezelkop), I. rimosum (Geelbruine spleetvezelkop), I. squamata (Populiervezelkop), I. umbrinella (Sombere spleetvezelkop).

Inocybe - de groep kent gladsporige en knobbelsporige soorten.

Knobbelsporige en gladsporige vezelkoppen
  • Sporen zijn hoekig, stervormig of echt knobbelig of glad.
  • Basidia zonder bruin pigment.
  • Cystiden zijn meestal dikwandig en hebben een amorfe top met of zonder kristallen. Er tussen staan vaak paracystiden, cellen zonder kristallen en amorfe kap.
  • Er zijn meestal ook pleurocystiden.
  • Steel is niet opvallend kort.
  • De geur deels spermatisch.
Tot de gladsporige behoren o.a. I. lacera (Zandpadvezelkop) en I. vulpinella (Kleine duinvezelkop), I. geophylla (Witte satijnvezelkop), I. serotina (Grote duinvezelkop), I. splendens (Aarddrager)
Tot de knobbelsporige behoort o.a. I. dunensis (Geelbruine duinvezelkop)

Zie www.inocybe.org voor een beschrijving van de soorten.
In Coolia 49/1 vind je een sleutel voor de knobbelsporige vezelkoppen.

Klik op de afbeelding voor vergrote weergave met beschrijvende tekst

SPECIFICATIES - duinspleetvezelkop
familieVezelkoppen (Inocybaceae)
info familieDe Inocybaceae (Vezelkoppen) werden tot voor kort ingedeeld bij de Cortinariaceae (Gordijnzwammen). Inmiddels zijn ze bevorderd tot een eigen familie.
De familie wordt tegenwoordig opgedeeld in 7 clades.

Inocybe, Inosperma, Mallocybe, Pseudosperma, Tubariomyes, Auritella en Nothocybe. De laatste 3 komen niet in West-Europa voor.

Vezelkoppen herken je aan het min of meer vezelige, soms gebarsten of schubbige, droge hoedje, de bruine sporen en vaak ook aan de geur. De geur kan spermatisch, fruitig, zoet, aromatisch, geraniumachtig zijn, maar er komen ook reukloze soorten voor. Vaalhoedjes (Hebeloma) lijken wel op de vezelkoppen, maar ze hebben een gladde hoed, ruiken vaak radijsachtig en de sporenmassa is valer bruin van kleur. De eveneens wat gelijkende Gordijnzwammen (Cortinarius) onderscheiden zich vooral door de warmere kleur van de sporenmassa.
Vezelkoppen groeien op de grond.
Onderzoek naar de Inocybaceae is nog in volle gang, er lijkt nog veel onduidelijkheid te zijn over de soort.
naam duinspleetvezelkop (inocybe arenicola)
waar bij kruipwilg of ook bij Pinus, in zand in duinen en binnenduinen
sporeekleur bruin
hoed wit
steel wit berijpt
plaatjes vuilwit met witte, vlokkige rand