Bruine fluweelboleet

Bruine fluweelboleet (Xerocomus ferrugineus)

Kenmerkend voor de Bruine fluweelboleet (Xerocomus ferrugineus) zijn het witte vlees en het gele mycelium aan de voet van de steel.
Het vlees kleurt hooguit langzaam een weinig blauw bij doorsnijden.

De hoed is gewelfd, het oppervlak viltig. De hoedkleur varieert van olijfbruin tot zuiver groen- of roodbruin.
De buisjes zijn geel, ze verkleuren net zoals het hoedvlees slechts hooguit een weinig blauw bij kneuzing.
De poriën zijn 1-3 mm in doorsnee, rond, dan hoekig, niet tot zwak blauw verkleurend bij kneuzing.
De steel is slank, 30-100x5-30 mm, glad tot schilferig, soms met een ruw net, bleekgeel tot lichtbruin. De voet is vaak versmald, maar kan ook iets verdikt zijn of onregelmatig samengedrukt. De eindcellen zijn niet ge&incrusteerd.

Sporen 10.5-13.5x4-5 mu, Q= ong. 2.7, slank, ellips- tot spindelvormig, met een zwak deukje boven de apiculus, bleekgeel in water, met iets verdikte wand.
De hoedhuid is een trichoderm van cilindrische, gesepteerde hyfen met cilindrische tot knotsvormige eindcellen, 30-85x6-30 mu. De hyfen zijn geïncrusteerd met bruin pigment. Het pigment lost op in KOH.

Boleten die tot Xercomosus sectie Xerocomus hebben een hoedhuid met fijn geïncrusteerd bruinig pigment. In KOH lost het pigment op. Vergelijk het pigment bij boleten uit de chrysenteron-groep, hier lost het pigment niet op in KOH.

De variabele kleur van de hoed van de Fluweelboleet is aanleiding geweest om de soort verder onder te verdelen. Uiteindelijk zijn er 3 soorten overgebleven. Het verschil zit in de kleur van het vlees en de kleur van de basale myceliumstrengen. Verder is ook de lengte-breedte verhouding van de sporen belangrijk.

X. chrysonemus heeft geel vlees, intens geel gekleurd basaal mycelium en relatief dikke sporen. Deze soort is in Nederland echter nog niet waargenomen.
X. subtomentosus heeft geel vlees en wit basaal mycelium. De sporen zijn iets breder dan die van X. ferrugineus (Q=2.5 - Q=2.7)
Kenmerken van het geslacht Fluweelboleten  (Xerocomus) waartoe Bruine fluweelboleet behoort.

Fluweelboleten hebben een droge, mat, fluwelig hoedoppervlak. Bij oudere exemplaren breekt de hoedhuid vaak open in kleine, onregelmatige plakjes. In de barstjes is het hoedvlees zichtbaar.
De buisjeslaag is gemakkelijk te verwijderen.
De steel is slank, meestal zonder netwerk.
De sporen zijn olijfbruin.

Determinatiekenmerken:
  • blauwverkleuring van het vlees en de poriën
  • verloopt de verkleuring snel of heel langzaam?
  • zijn er rode puntjes in het vlees van de steelvoet? (Steel doorsnijden)
Overige kenmerken onder de microscoop, met name hoedhuid en sporen bekijken.

Voorbeelden van fluweelboleten zijn de Kostgangerboleet (parasiterend op aardappelbovist) en de Kastanjeboleet (hoed kleverig bij vocht, glad bij droogte). Dit zijn afwijkende soorten die niet door iedereen in het geslacht Xerocomus worden geplaatst.

De echte fluweelboleten hebben een droge, viltige (fluwelige) hoed. Ze worden in 2 groepen onderverdeeld, a. Fluweelboleet (X. subtomentosus) en b. Roodstelige fluweelboleet (X. chrysenteron). Voorbeelden zijn de Roodsteelfluweelboleet, Bruine en Bruingele fluweelboleet, Blauwvlekkende fluweelboleet, Blozende Fluweelboleet, Sombere fluweelboleet en de Fluweelboleet (X. sutobmentosus) en verder nog wat zeer zeldzame soorten.

Verschil Roodsteelfluweelboleet (Xerocomus chrysenteron), Blozende fluweelboleet (X. declivitatum) en Blauwvlekkende fluweelboleet (X. cisalpinus)

"Het verschil tussen de soorten is nu zo helder dat een goede determinatie eindelijk met speels gemak is te maken" schrijft een bekend mycoloog (Meer duidelijkheid bij de fluweelboleten). Nou......

De enige, echte Roodsteelfluweelboleet (X. chrysenteron) heeft een grijsbruine tot donkerbruine hoed. Het vlees onder de barsten in de hoedhuid is rood. De steel is vlammend wijnrood aangelopen. Bij doorsnijden of beschadiging treedt nauwelijks een blauwe verkleuring op. Ook de poriën verkleuren niet bij druk. De Roodsteelfluweelboleet is vrij zeldzaam in Nederland en komt vooral voor in het noordelijk kustgebied.

De Blozende fluweelboleet (X. declivitatum) verkleurt bij doorsnijden van de steel een weinig blauw in het midden van de steel en bij druk op de poriën. De hoed is okerbruin tot rozebruin en barst niet of slechts weinig open bij het ouder worden. Het vlees tussen eventuele barstjes is niet rood gekleurd. De steel is geelachtig en bevat niet of nauwelijks de felrode tinten die je ziet op de steel van de Roodsteelfluweelboleet.
Bij het doorsnijden van de steel vallen de knalroodoranje vlekjes vlak boven de steelbasis op.. Deze puntjes zijn weliswaar heel klein, hooguit 1 mm, maar vallen door de felle kleur goed op. Er kunnen veel of weinig puntjes zijn, soms komen ze ook voor op de buitenste laag van het vlees onder de steelhuid. Deze pumtjes niet verwarren met de rode kleur van het vlees in de steel bij sommige soorten.
De Blozende fluweelboleet is waarschijnlijk de meest in Nederland voorkomende van de genoemde fluweelboleten.

De Blauwvlekkende fluweelboleet (X. cisalpinus) lijkt erg op de Roodsteelfluweelboleet, maar het vlees en de poriën verkleuren snel en intens blauw.
Deze fluweelboleet komt ongeveer in hetzelfde gebied voor als de Blozende.
Onder de microscoop eerst de maten van de sporen noteren en het quotiënt berekenen. Ligt het quotiënt onder of boven 2.5? Gebruik immersie-olie.
Zijn de sporen gestreept of glad. De sporen van de Blauwvlekkende fluweelboleet zijn licht gestreept, de sporen van de andere twee zijn glad. Dit is helaas niet altijd te zien met een gewone lichtmicroscoop.
Daarna dient de hoedhuid bestudeerd te worden. Bij de groep van de roodsteligen spelen de vorm en afmetingen van de terminale elementen een belangrijke rol, evenals de pigmentatie van de hoedhuid en de dikte van de gepigmenteerde laag.

Klik op de afbeelding voor vergrote weergave met beschrijvende tekst

SPECIFICATIES - bruine_fluweelboleet
familieBoleten (Boleteceae)
info familieDe familie van de Boleten is vrij gemakkelijk te herkennen. Het zijn vlezige paddenstoelen met meestal een centrale steel en een gewelfde hoed. Onder de hoed zitten geen plaatjes, maar er zit een buisjeslaag. Deze laag is gemakkelijk van de hoed los te trekken.
Belangrijk voor de determinatie is het feit dat ze bijna allemaal gebonden zijn aan een bepaalde boom of struik.
Er zijn diverse geslachten in deze familie. Om te bepalen tot welk geslacht de boleet behoort kun je allereerst naar het oppervlak van de hoed kijken. Is dit glad, schubbig, vezelig, vilt- of zeemleer-, dan wel fluweelachtig? Verder kijk je of het oppervlak droog is of juist kleverig of slijmerig.
Verder is ook de kleur van de hoed belangrijk.
De buisjeslaag kan breed aangehecht aan de steel zijn, of uitgebocht aangehecht zijn of bijna vrij zijn van de steel. Kenmerkend voor bijvoorbeeld het geslacht Suillus is de op de steel aflopende buisjeslaag.
Ook de opening van de buisjes, de pore, speelt een rol bij determinatie. Die opening kan klein en rond zijn, groot en rond, klein en hoekig of grof en onregelmatig hoekig.
En dan is er de steel. Behalve de vorm (cilindrisch, opgezwollen buikig, bochtig of wortelend) is het oppervlak belangrijk. Er zijn drie typen. Het oppervlak heeft een netwerk (als een netkousje over de steel). Dit netwerk heeft ook weer een onderscheidende kleur. Een tweede mogelijkheid is dat het oppervlak bedekt is met fijne tot grove schubjes. Deze schubjes hebben vaak een contrasterende kleur. Als derde mogelijkheid kunnen er fijne donkere vlekjes op het steeloppervlak zitten.
Het vlees van boleten verkleurt vaak bij beschadiging. Het al dan niet verkleuren en de kleur van de verkleuring is vaak kenmerkend voor een bepaalde soort.
Geur en smaak zijn minder bepalend, behalve bij de Peperboleet en de Bittere boleet.
Een sporee maken kan ook bijdragen, er is een heel scala aan kleuren mogelijk.

Al met al een heel gedoe dus!
naam bruine_fluweelboleet (Xerocomus ferrugineus)
waar onder loofbomen,
sporeekleur sporeekleur
hoed 2-130 mm, fluwelig, variabel qua kleur, meestal olijfgeel tot olijfbruin, rood aanlopend bij vocht,
steel 30-100 x 7-20 mm cilindrisch, taps toelopend aan de voet,creme tot geel, slank, glad tot met grof net
plaatjes buisjes zwak tot sterk blauw verkleurend bij kneuzen