Beukenkorrelkopje (Phleogena faginea)

Beukenkorrelkopje


Beukenkorrelkopjes lijken op slijmzwammen, maar behoren tot de Trilzwammen. Meest kenmerkend is de maggigeur. Of de geur van Fenegriek, getuige de Engelse benaming Fenugreek stalkball. Ze groeien in grote groepen. De steel is vertakt en aan de uiteinden van de takjes zitten de bolletjes (zie tekening van de Mycobank).
Beukenkorrelkopjes zijn zeldzaam, maar lijken op te rukken. Je vindt ze vooral op beuken (maar ook op andere loofbomen) op oude landgoederen en in oude bossen waar de bomen aan het aftakelen zijn. Ze groeien tussen scheurtjes in de bast of op het kale hout van net afgestorven, maar nog staande bomen, of op takken van nog weinig verteerd hout. Ze zijn vooral te vinden in de late herfst of aan het begin van de winter.

Klik op de afbeelding voor vergrote weergave met beschrijvende tekst

SPECIFICATIES - Beukenkorrelkopje
familiePhleogenaceae (Phleogenaceae)
info familieDeze familie bestaat uit 6 geslachten en 30 soorten.
geslacht Phleogena (Phleogena)
info geslacht -
naam Beukenkorrelkopje (Phleogena faginea)
waar meestal op recent afgestorven, maar nog staande beuken, maar ook op andere loofbomen, in scheuren in de bast of op het kale hout - vaak op landgoederen of in bossen met oude, aftakelende bomen
sporeekleur sporen rond en dikwandig,
hoed 2-4 mm hoog, bestaande uit een korrelig bolletje op een steeltje. Bolletje eerst wittig-asgrijs, later bruin en tenslotte zwart.
steel honingkleurig, onderaan donkerder, bovenaan wittig. Basis schijfvormig. Vertakt
plaatjes -