Gewoon pluisjesmos (Dicranella heteromalla)

Gewoon pluisjesmos


Gewoon pluisjesmos groeit in dichte, zijdeachtige, geelgroene tot groene zoden. Het blad is min of meer gebogen, 3-3,5 mm lang en wijst, zowel droog als nat, in één richting. De bladbasis is eivormig en loopt uit in een lange, smalle, getande punt. De nerf neemt ongeveer 30% van het blad in beslag, de bladtop bestaat hoofdzakelijk uit nerf en vaak treedt de nerf iets naar buiten.
De kapsels staan horizontaal of gebogen, ze zijn elliptisch van vorm en hebben geen gezwollen basis (Kroppluisjesmos - D.cerviculata wel). De gele kapselstelen worden bij het ouder worden steed bruiner.
Gewoon Pluisjesmos is een algemeen mos op zandige grond op steilkanten, ontwortelingskluiten, aan boomvoeten, padranden en op rotsen in bossen, struwelen, heide en venige hooilanden.

Klik op de afbeelding voor vergrote weergave met beschrijvende tekst

SPECIFICATIES - Gewoon_pluisjesmos
familieGaffeltandfamilie (Dicranaceae)
info familieKenmerkend voor deze uitgebreide familie zijn o.a
- rechtopstaande, al dan niet vertakte stengel, vaak met witte of rode rhizoïden
- smalle, lancetvormige bladeren, vaak sikkelvormig of sikkelvormig-naar 1 zijde gericht, bladrand gaaf of aan de top gezaagd
- bladnerf enkelvoudig, smal tot breed, soms kort uittredend
- al dan niet met rizoïden aan de basis
- niet-geslachtelijke voortplanting door middel van broedtakjes, broedblaadjes of bladtoppen, zelden tubers
- sporenkapsels meestal 1
- kapselsteel lang, recht, zelden iets gebogen
- sporendoosje cilindrisch tot eivormig, rechtopstaand tot horizontaal, glad of geribd
- dekseltje rond-gesnaveld, peristoon enkelvoudig, met 16 tanden die vaak in tweeën zijn gedeeld tot aan de basis.

Omvat Gaffeltandmos, Beeksterretje en Pluisjesmos.
geslacht Pluisjesmos (Dicranella)
info geslacht -
naam Gewoon_pluisjesmos (Dicranella heteromalla)
waar zandige grond op steilkanten, ontwortelingskluiten, aan boomvoeten, padranden en op rotsen in bossen, struwelen, heide en venige hooilanden
rijpe kapsels november - maart
specifiek zijdeachtige kussens van naar één zijde gebogen smalle blaadjes en gele kapselstelen (jong)
blad smal lancetvormig- priemvormig, getand, meestal naar 1 kant gericht
sporenkapsel Sporenkapsel gekromd recht of iets scheef op de steel, geen broedknollen, deksel gesnaveld, huikje kapvormig en gesnaveld