Kastanje-inktzwam

Kastanje-inktzwam (Parasola auricoma)

De jonge Kastanje-inktzwam herken je aan de roodbruine hoed die verspreid bedekt is met lange haren. Deze haren (sclerocystidia) kleuren roodbruin in KOH en zijn dikwandig. De sporen hebben een centrale kiempore.

De hoed is tonvormig, later uitgespreid en radiair gegroefd. De kleur is roodbruin tot oranjebruin, later is de hoedkleur bleker en meer grijsachtig, vooral naar de rand toe.
De lamellen staan los van de steel en vervloeien nauwelijks. Ze zijn aanvankelijk wit, maar kleuren later zwart door de sporen.
De steel is 30-120x2-4 mm groot, cilindrisch en wit tot geelbruin gekleurd.
Sporen 10-14.5x6-8 mu, ellipsvormig met zoals gezegd een centrale kiempore.

De Kastanje-inktzwam groeit op de grond of op houtsnippers. Het is een soort van lanen en bermen, die vooral in de lente en zomer gevonden kan worden.

De gelijkende Plooirokjes hebben geen lange haren op de hoed.
Kenmerken van het geslacht Parasola  (Parasola) waartoe Kastanje-inktzwam behoort.

Het geslacht Parasola omvat een aantal soorten die vroeger werden ingedeeld bij het geslacht Coprinus.
Paddestoelen uit dit geslacht zijn fragiel, dunvlezig en kort levend. De hoed is geplooid en aanvankelijk cilindrisch of tonvormig, later gewelfd, klokvormig of vlak en radiaal gegroefd. De kleur is roodbruin tot oranjebruin, bij het ouder worden meer grijs. De lamellen staan vrij, ze staan meestal wijd uit elkaar en vervloeien niet. De steel is cilindrisch, glad en droog.
De sporenprint is zwart. Cheilo- en pleurocystiden aanwezig, meestal geen pileocystidia.

Klik op de afbeelding voor vergrote weergave met beschrijvende tekst

SPECIFICATIES - kastanje-inktzwam
familieFranjehoeden (Psathyrellaceae)
info familiePsathyrellaceae is een paddestoelenfamilie die gekenmerkt wordt door zwarte of donkerbruine sporen en vaak fragiele vruchtlichamen. De vervloeiende inktzwammen uit de vroegere Coprinaceae familie worden inmiddels ook tot deze familie gerekend.
naam kastanje-inktzwam (Parasola auricoma)
waar op de grond en op houtsnippers, in lanen, bermen, enz.
sporeekleur zwart
hoed roodbruin met kenmerkende lange haren, later spreidend en radiair gegroefd
steel 30-120x 2-4 mm, cilindrisch of iets verdikt aan de voet, wit tot geelbruin
plaatjes lamellen vrij, nauwelijks vervloeiend, wit later zwart door de sporen