Gladde knolvezelkop (Inocybe cookie)

Gladde knolvezelkop


De Gladde knolvezelkop behoort tot de groep Inosperma. Deze groep wordt gekenmerkt door het ontbreken van pleurocystiden, cheilocystiden uit subhymeniumelementen, sporen met zeer klein aanhangsel en stompe top. Geen necrobasidia.

Deze groep wordt onderverdeeld in weer 2 groepen, sectie Cervicolores en sectie Rimosa. De eerste heeft een schubbig hoedje, het vlees kleurt meestal bij kneuzing, de basidia zijn slank (Q >4). De tweede sectie, Rimosa, heeft een radiaal gespleten hoed. Het vlees kleurt over het algemeen niet rood bij kneuzing. De basidia zijn minder slank, <3.5

Inocybe cookie
Hoed 16-65 mm, conisch of klokvormig met naar binnen gebogen hoedrand (jong) later gewelfd met rechte rand, al dan niet met umbo, strogeel tot okergeel. Oppervlak in het centrum zijdeachtig glad, naar de randen toe radiaal vezelig. De vezels lopen niet tot nauwelijks uiteen. Hoedrand soms ingescheurd. Velipellis al dan niet opvallend, indien wel dan in de vorm van witte stukjes in het centrum.
De lamellen staan tamelijk dicht opeen en zijn 3-6 mm breed, al dan niet gezwollen, gebogen, smal aangehecht, grijs-oker tot grijs-kaneelbruin zonder olijftinten. Lamelsnede wit vlokkig.
Steel 25-95 x 3-9 mm, aan de voet knots- of knolvormig (tot 16 mm), woit tot bleekgeel, knol wit, top ?jn vlokkig tot glad, verderop vezelig.
Bij jonge exemplaren is een gordijn (cortina) aanwezig.
Het vlees is wit tot bleekgeel-oker. Verse exemplaren ruiken naar honing. Bij doorsnijden verandert de geur in eentje die doet denken aan de Groene knolamaniet.

Onder de microscoop
Sporen 7.0-9.0 x 4.0-5.0 (-5.5) mu, gemiddeld 7.6-8.4 x 4.5-4.9 mu, Q= (1.4-)1.5-1.9, Qa = 1.6-1.8, glad, boonvormig.
Cheilocystiden (22-)28-42 x 11-18(-22) mu, breed knotsvormig tot peervormig, dunwandig, met kleurloze inhoud.
Basidia 22-32 x 7-9 mu, 4-sporig.
Trama hymenium met lichtbrekende hyfen.
Steeltop met enkele caulocystiden, gelijk aan de cheilocystiden, vermengd met cilindrische caulocystoïde haren.

Onder loofbomen, vooral beuk, eik, kastanje en hazelaar.

Mijn exemplaar 1
Sleutel uit A revision of the genus Inocybe door Thomas W. Kuyper
1. Vlees niet verkleurend bij blootstelling aan de lucht
2. Vruchtlichamen niet oranje tot baksteenrood verkleurend
3. Sporen gemiddeld niet breder dan 6 mu
4. Cheilocystiden knotsvormig
5. Sporen merendeels boonvormig
6. Sporen gemiddeld minder dan 5 mu breed. Hoed strogeel tot oranjebruin. Geurt naar honing (?)
De vezelkoppen groeien langs een wandelpad in de binnenduinen, er staan diverse loofbomen in de buurt, in het grasveld staan kleine eikjes tussen slierten braam.
En dat brengt mij bij I,. cookie.

Klik op de afbeelding voor vergrote weergave met beschrijvende tekst

SPECIFICATIES - Gladde_knolvezelkop
familieInocybaceae (Inocybaceae )
info familieAnders dan de naam doet vermoeden hebben vezelkoppen niet per definitie een vezelig hoedje. Er zijn tal van varianten, zijdeachtig, glad en kleverig, vezelig en slijmerig-kleverig, vezelig en droog, wollig-viltig, opstaand-schubbig. Vaak lopen de vezelbundels naar de hoedrand toe uiteen, zodat het onderliggende vlees zichtbaar wordt. Vezelkoppen met deze eigenschap noemen we Spleetvezelkoppen.
De kleur van de hoed is meestal een bruintint (roodbruin, geelbruin, grijsbruin, donkerbruin), maar er komen ook witte, paarse, gele, groene en rood verkleurende vezelkoppen voor.
De steel is al dan niet bepoederd. Aan de voet zit soms een knol met duidelijke rand. Voor determinatie is het dus belangrijk om de gehele steel uit te graven en daarbij de steel zelf niet aan te raken, daar dan de eventuele bepoedering verdwijnt. Onder de microscoop kun je het al dan niet bepoederd zijn controleren door te kijken of er caulocystiden over de gehele steel zitten. Zo ja, dan bepoederd. Zo niet of alleen in het bovenste gedeelte dan niet bepoederd.
De lamellen zijn meestal smal aangehecht. Een uitzondering vormt de I. dulcamara-groep, deze heeft breed aangehechte lamellen.
Het uiterlijk van de lamelsnede is, afhankelijk van de grootte en dichtheid van de cheilocystiden, lichter van kleur, vlokkig of gewimperd. Bij bv. de I.dulcamara-groep zijn de cystiden klein en weinig compact geplaatst, de lamelsnede is nauwelijks lichter van kleur dan de lamel. Bij het ondergeslacht Inosperma (bv. de Geelbruine spleetvezelkop) staan de cystiden zeer dicht opeen, de lamelsnede ziet er grof-witvlokkig uit. Het ondergeslacht Inocybe heeft dikwandige, kristaldragende cystiden die verder uiteen staan, de lamelsnede ziet er gewimperd uit.
Ook geur speelt een rol bij de Vezelkoppen. Veelal is die spermatisch (dan wel naar piperidine), maar het kan ook vissig, zoetig, naar pelargonium, paardenpis, wantsen of bittere amandelen zijn.

Microscoop:
de sporen kunnen glad, hoekig, knobbelig of stervormig zijn. De grenzen tussen glad en hoekig-knobbelig zijn niet altijd even duidelijk. De sporen zien er onder de microscoop meestal bruin uit, maar er komen ook blekere soorten voor. De sporen van bv. de Kleine duinvezelkop zijn opvallend donker.
De pleurocystiden zijn vaak dikwandig en kristaldragend. De kleur en de dikte van de wanden is ook een kenmerk. De cheilocystiden zijn vaak dunwandig, maar dikwandige komen ook voor. Vorm, lengte en dikte zijn belangrijk voor determinatie. Tussen de cheilocystiden staan vaak paracystiden, dunwandige cellen.
Bij de ondergeslachten Mallocybe en Inosperma komen alleen dunwandige cystiden langs de lamelsnede voor.
geslacht Vezelkop (Inocybe )
info geslacht Veel Inocybe-soorten zijn in meer of mindere mate giftig en bevatten muscarine. Sommige soorten bevatten psylocibine, een psychoactieve stof.

Het geslacht Inocybe wordt opgedeeld in een aantal ondergeslachten.
Het ondergeslacht Mallocybe heeft dunwandige cheilocystiden zonder kristallen. De cystiden zijn vaak gesepteerd, de eindcel is vaak gezwollen. Er zijn geen pleurocystiden. De sporen zijn glad, met afgeronde apex dwz. eivormig, boonvormig, ellipsvormig.
De lamellen zijn breed aangehecht tot iets aflopend. De steel is kort.
Het hoedoppervlak is glad, wollig, viltig, tot iets schubbig.
De geur is neutraal.
Tot dit ondergeslacht behoort o.a. de I. dulcamara-groep (viltkoppen).

Inosperma-cervicolores - cheilocystiden dunwandig, zonder kristal, cyanofiel (blauwkleurend met katoenblauw). Basidia slank en met geelbruine inhoud. Sporen glad met kleine apiculus, meestal ei- of boonvormig.
Steel niet opvallend kort. Hoedoppervlak wollig, viltig.

Inosperma - rimosa - cheilocystiden dunwandig, zonder kristallen, niet cyanofiel. Geen pleurocystiden. Basidia meestal zonder geelbruine inhoud, minder slank dan exemplaren uit de cervicolores-groep. Sporen glad, met kleine apiculus en afgeronde apex, eivormig, boonvormig. Geur deels spermatisch.
Hoedoppervlak radiaalvezelig, harig (aan de rand), met schubjes in het midden.

Inocybe - de groep kent gladsporige en knobbelsporige soorten.

Knobbelsporige vezelkoppen - de sporen zijn hoekig, stervormig of echt knobbelig. Basidia zonder bruin pigment. De cystiden zijn meestal dikwandig en hebben een amorfe top met of zonder kristallen. Er tussen staan vaak paracystiden, cellen zonder kristallen en amorfe kap. Er zijn meestal ook pleurocystiden.
De steel is niet opvallend kort. De geur deels spermatisch.
Zie ook www.inocybe.org voor een beschrijving van de soorten.
In Coolia 49/1 vind je een sleutel voor de knobbelsporige vezelkoppen.
naam Gladde_knolvezelkop (Inocybe cookie)
waar klei, humusarm, bij eik
sporeekleur vaalbruin
hoed conisch, tot 5 cm groot, oppervlak glad, zijdeachtig, meestal geel, aan de rand ingescheurd
steel 25-95 x 3-9 mm, aan de voet knots- of knolvormig (tot 16 mm), woit tot bleekgeel, knol wit, top ?jn vlokkig tot glad, verderop vezelig
plaatjes tamelijk dicht opeen en zijn 3-6 mm breed, al dan niet gezwollen, gebogen, smal aangehecht, grijs-oker tot grijs-kaneelbruin zonder olijftinten. Lamelsnede wit vlokkig.