Geelbruine duinvezelkop (Inocybe dunensis)

Geelbruine duinvezelkop


De Geelbruine duinvezelkop is een van de vezelkoppen die gebonden is aan kruipwilgstruweel in de kustduinen.
De paddestoel behoort tot de ondersoort Inocybe. De vezelkoppen in deze groep hebben dikwandige cystiden met een kristallen ′hoedje′. De hoed kan tot 7 cm groot worden. Het oppervlak is glad, aanliggend vezelig en vaak bedekt met zand. De kleur is vaalbruin.
De lamellen zijn vleeskleurig, de lamelsnede is gelijk gekleurd. De aanhechting is nogal variabel.
Steel 40-50(70) x 7-8 (10) mm, vaak grotendeels in het zand stekend, cilindrisch, naar de basis toe vaak in meer of mindere mate verdikt tot knolachtig. Over de gehele lengte berijpt. Wit-roze.
Al met al weinig aanknopingspunten om macroscopisch deze paddestoel te kunnen benoemen. Ze lijkt veel op I. decipiens. Deze soort heeft echter een slechts tot de helft berijpte steel en een gerande knol aan de voet. Ook is I. decipiens niet gebonden aan de kruipwilg.
De microscoop moet hier uitkomst brengen.
De sporen zijn hoekig

Microscoop:
Sporen (10) 10.7-13.1 (15.6) x 6.5-7.4 (8.3) mu, wat langwerpig en weinig hoekig, lichtgeel.
Basidia 3-35 x 8-10 mu, knotsvormig, 4-sporig, zelden 2-sporig.
Pleurocystiden, cheilocystiden en caulocystiden kort 50-60(70) x 20-25 (30) mu, zonder hals, dikwandig (2-5

Klik op de afbeelding voor vergrote weergave met beschrijvende tekst

SPECIFICATIES - Geelbruine_duinvezelkop
familieInocybaceae (Inocybaceae )
info familieAnders dan de naam doet vermoeden hebben vezelkoppen niet per definitie een vezelig hoedje. Er zijn tal van varianten, zijdeachtig, glad en kleverig, vezelig en slijmerig-kleverig, vezelig en droog, wollig-viltig, opstaand-schubbig. Vaak lopen de vezelbundels naar de hoedrand toe uiteen, zodat het onderliggende vlees zichtbaar wordt. Vezelkoppen met deze eigenschap noemen we Spleetvezelkoppen.
De kleur van de hoed is meestal een bruintint (roodbruin, geelbruin, grijsbruin, donkerbruin), maar er komen ook witte, paarse, gele, groene en rood verkleurende vezelkoppen voor.
De steel is al dan niet bepoederd. Aan de voet zit soms een knol met duidelijke rand. Voor determinatie is het dus belangrijk om de gehele steel uit te graven en daarbij de steel zelf niet aan te raken, daar dan de eventuele bepoedering verdwijnt. Onder de microscoop kun je het al dan niet bepoederd zijn controleren door te kijken of er caulocystiden over de gehele steel zitten. Zo ja, dan bepoederd. Zo niet of alleen in het bovenste gedeelte dan niet bepoederd.
De lamellen zijn meestal smal aangehecht. Een uitzondering vormt de I. dulcamara-groep, deze heeft breed aangehechte lamellen.
Het uiterlijk van de lamelsnede is, afhankelijk van de grootte en dichtheid van de cheilocystiden, lichter van kleur, vlokkig of gewimperd. Bij bv. de I.dulcamara-groep zijn de cystiden klein en weinig compact geplaatst, de lamelsnede is nauwelijks lichter van kleur dan de lamel. Bij het ondergeslacht Inosperma (bv. de Geelbruine spleetvezelkop) staan de cystiden zeer dicht opeen, de lamelsnede ziet er grof-witvlokkig uit. Het ondergeslacht Inocybe heeft dikwandige, kristaldragende cystiden die verder uiteen staan, de lamelsnede ziet er gewimperd uit.
Ook geur speelt een rol bij de Vezelkoppen. Veelal is die spermatisch (dan wel naar piperidine), maar het kan ook vissig, zoetig, naar pelargonium, paardenpis, wantsen of bittere amandelen zijn.

Microscoop:
de sporen kunnen glad, hoekig, knobbelig of stervormig zijn. De grenzen tussen glad en hoekig-knobbelig zijn niet altijd even duidelijk. De sporen zien er onder de microscoop meestal bruin uit, maar er komen ook blekere soorten voor. De sporen van bv. de Kleine duinvezelkop zijn opvallend donker.
De pleurocystiden zijn vaak dikwandig en kristaldragend. De kleur en de dikte van de wanden is ook een kenmerk. De cheilocystiden zijn vaak dunwandig, maar dikwandige komen ook voor. Vorm, lengte en dikte zijn belangrijk voor determinatie. Tussen de cheilocystiden staan vaak paracystiden, dunwandige cellen.
Bij de ondergeslachten Mallocybe en Inosperma komen alleen dunwandige cystiden langs de lamelsnede voor.
geslacht Vezelkop (Inocybe )
info geslacht Veel Inocybe-soorten zijn in meer of mindere mate giftig en bevatten muscarine. Sommige soorten bevatten psylocibine, een psychoactieve stof.

Het geslacht Inocybe wordt opgedeeld in een aantal ondergeslachten.
Het ondergeslacht Mallocybe heeft dunwandige cheilocystiden zonder kristallen. De cystiden zijn vaak gesepteerd, de eindcel is vaak gezwollen. Er zijn geen pleurocystiden. De sporen zijn glad, met afgeronde apex dwz. eivormig, boonvormig, ellipsvormig.
De lamellen zijn breed aangehecht tot iets aflopend. De steel is kort.
Het hoedoppervlak is glad, wollig, viltig, tot iets schubbig.
De geur is neutraal.
Tot dit ondergeslacht behoort o.a. de I. dulcamara-groep (viltkoppen).

Inosperma-cervicolores - cheilocystiden dunwandig, zonder kristal, cyanofiel (blauwkleurend met katoenblauw). Basidia slank en met geelbruine inhoud. Sporen glad met kleine apiculus, meestal ei- of boonvormig.
Steel niet opvallend kort. Hoedoppervlak wollig, viltig.

Inosperma - rimosa - cheilocystiden dunwandig, zonder kristallen, niet cyanofiel. Geen pleurocystiden. Basidia meestal zonder geelbruine inhoud, minder slank dan exemplaren uit de cervicolores-groep. Sporen glad, met kleine apiculus en afgeronde apex, eivormig, boonvormig. Geur deels spermatisch.
Hoedoppervlak radiaalvezelig, harig (aan de rand), met schubjes in het midden.

Inocybe - de groep kent gladsporige en knobbelsporige soorten.

Knobbelsporige vezelkoppen - de sporen zijn hoekig, stervormig of echt knobbelig. Basidia zonder bruin pigment. De cystiden zijn meestal dikwandig en hebben een amorfe top met of zonder kristallen. Er tussen staan vaak paracystiden, cellen zonder kristallen en amorfe kap. Er zijn meestal ook pleurocystiden.
De steel is niet opvallend kort. De geur deels spermatisch.
Zie ook www.inocybe.org voor een beschrijving van de soorten.
In Coolia 49/1 vind je een sleutel voor de knobbelsporige vezelkoppen.
naam Geelbruine_duinvezelkop (Inocybe dunensis)
waar kruipwilgstruweel in kustduinen
sporeekleur bruin
hoed vrij groot (tot 7 cm), aanliggend vezelig, vaalbruin
steel over de gehele lengte berijpt, wit-roze, geen duidelijk gerande knol, hooguit iets verdikt
plaatjes variabel aangehecht, verkleurend van wit naar vleeskleurig, lamelsnede niet anders gekleurd