Duinveldridderzwam

Duinveldridderzwam (Melanoleuca cinereifolia)

De Duinveldridderzwam (Melanoleuca cinereifolia) behoort samen met de Duinstinkzwam (Phallus hadriani), de Duinfranjehoed (Psathyrella ammophila), de Zeeduinchampignon (Agaricus devoniensis), de Helmharpoenzwam (Hohenbuehelia culmicola) en het Zandtulpje (Peziza ammophila) tot de "Grote Zes" van de zeereep. Deze paddestoelen groeien in het zand van de zeereep, soms zelfs zo goed als op het strand en zijn gebonden aan helm.
De Duinveldridder is door zijn forse voorkomen niet snel met de andere te verwarren - de eveneens robuuste Zeeduinchampignon heeft roze lamellen. Deze veldridder heeft een wat slappe, grote, flapperige, grijzige hoed die meestal grotendeels bedekt is met zand. De lamellen zijn uitgebocht, met een ′gootje′, aangehecht.

Hoed 30-90(-120) mm, jong gewelfd, later meer uitspreidend tot een golvende, vlakke hoed met een laag, breed umbo. Grijsbruin of bruin, naar de rand toe bleker, mat en in het centrum iets glanzend. Bij droogte vertoont de hoedhuid barstjes.
Lamellen (60-80), dichtopeen, vrij dik (3-9(-18) mm breed, buikig, bochtig aangehecht (met ′gootje′), witachtig tot grijs, later bruingrijs.
Steel 30-80 x 5-15 mm, cilindrisch met bolvormige, tot 25 mm brede voet. Soms iets wortelend, gevuld, bleek grijsbruin, aan de voet donkerder wordend, over de gehele lengte vezelig, top vlokkig.
Vlees in hoed wit tot vaalwit, later geelbruin. Vlees in bovenste deel steel geelbruin, in onderste deel donker sepiabruin.
Geur vaag paddestoelachtig. Smaak ranzig.

Sporee wit tot bleek crème;

Sporen 7.0-11.0 x 4.5-6.0 micron, Q= 1.3-1.9(-2.1), Qav = 1.45-1.8, ellipsvormig tot langwerpig, vrij dicht versierd met slanke tot vrij grove stekels, met ′plage′ (plekje zonder versierselen).
Basidia (25-)30-45(-50) x 7-10 μm, knotsvormig, 2-4-sporig.
Cheilocystiden 50-080 x 7-15 μm,, variabel, spoelvormig tot flesvormig, meestal met min of meer spitse, maar deels ook met afgeronde top. Met kristallen en dikwandig.
Pleurocystiden gelijk aan de cheilocystiden.
Hoedhuid ixotrichoderm, tot 150 μm, dik, opgebouwd uit 5-10 μm dikke, opstijgende hyphae. Bovenste deel pileitrama compact, met bleek intracellulair pigment, de wanden deels bedekt met geelbruin pigment.
Top van de steel met clusters knotsvormige cellen en flesvormige tot spoelvormige caulocystiden, 65-90 x 10-20 μm.

Bron Flora Agaricina Neerlandica
Kenmerken van het geslacht Veldridderzwam  (Melanoleuca) waartoe Duinveldridderzwam behoort.

Vrij forse paddestoelen met een droge, gladde hoed, aangehechte, witte tot roze-gele lamellen met een centrale steel. Geen velum.
Sporenprint wit tot bleekgeel.

De sporen zijn dunwandig en bedekt met kleine tot grote, amyloïde wratten. Soms zijn de wratten verbonden door een fijn netwerk van lijnen. Er is meestal een duidelijke &prrime;plage′, een kale plek rond de apiculus (aanhangseltje waar de spore mee vastzat aan het basidium).
De lamelsnede is meestal steriel. Cheilocystiden flesvormig met dikke wanden en kristallen of pleuro- en cystiden buikvormig met dunne wanden en kristallen.
Hoedhuid een trichoderm.
Meestal zijn er ook caulocystiden.
Geen gespen.

Klik op de afbeelding voor vergrote weergave met beschrijvende tekst

SPECIFICATIES - duinveldridderzwam
familieTricholomataceae (Tricholomataceae)
info familieDeze familie kent 127 geslachten
naam duinveldridderzwam (Melanoleuca cinereifolia)
waar op humusarm zand in de buitenste zeeduinen en zeereep of kalkhoudend zand in duindoornstruweel, leeft van dood helmgras.
sporeekleur wit
hoed uitgespreid met een breed bultje, mat, grijsbruin, 8-12 cm
steel lichtgrijs, tot halverwege in het zand, naar boven toe iets verdikt
plaatjes grijs